Premies lijfrente; Brede Herwaardering; Fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen; aansprakelijkheid verzekeraars

Besluit van 23 februari 1993, nr. CA/93,

zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 april 1993, nr. CA93/73

1. Inleiding

Op 1 januari 1992 is de Wet van 12 december 1991, Staatsblad 697 (Wijziging van het fiscale regime voor onderhoudsvoorzieningen en spaarvormen alsmede van het fiscale regime voor verzekeraars en directiepensioenlichamen) in werking getreden. Onderdeel van deze wet is een aanpassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna Wet IB'64), onder meer op het gebied van de aftrek van premies voor lijfrenten als persoonlijke verplichtingen en inzake de negatieve persoonlijke verplichtingen in het kader van lijfrenten. Artikel 45, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB'64 bepaalt welke premies voor lijfrenten in aanmerking komen voor aftrek als persoonlijke verplichting. Op grond van artikel 45c, tweede en derde lid, van de Wet IB'64 worden in de in deze leden bedoelde gevallen eerder in aftrek gebrachte premies voor lijfrenten fictief als negatieve persoonlijke verplichting in aanmerking genomen.

2. Negatieve persoonlijke verplichtingen

Negatieve persoonlijke verplichtingen zijn, volgens artikel 45c, eerste lid, van de Wet IB'64, genoten teruggaven van persoonlijke verplichtingen. De op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB'64 in aftrek gebrachte premies worden eveneens als negatieve persoonlijke verplichtingen in aanmerking genomen, in de gevallen genoemd in artikel 45c, tweede lid, van de Wet IB'64. Bovendien kunnen deze premies, met uitzondering van premies voor de in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 6°, van de Wet IB'64 bedoelde aanspraken, als negatieve persoonlijke verplichting in aanmerking worden genomen op grond van artikel 45c, derde lid, van de Wet IB'64, als de belastingplichtige emigreert. Als de termijnen van een lijfrente reeds zijn ingegaan, worden de premies daarvoor als negatieve persoonlijke verplichtingen in aanmerking genomen tot ten hoogste het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de lijfrente. Ingevolge artikel 30d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is ingeval van fictieve negatieve persoonlijke verplichtingen op grond van artikel 45c, leden twee en drie, van de Wet IB'64 tevens een zogenaamde revisierente verschuldigd van - in beginsel - 20% van de waarde in het economische verkeer van de lijfrente.

3. Emigratie

Het emigreren van een belastingplichtige - de verzekeringnemer of, als deze overleden is, de gerechtigde - geeft eerste aanleiding tot het in aanmerking nemen van negatieve persoonlijke verplichtingen, indien de op grond van artikel 45 van de Wet IB'64 in aftrek gebrachte premies voor lijfrenten meer hebben belopen dan f 100.000. De ter zake van deze negatieve persoonlijke verplichting verschuldigde belasting wordt opgenomen in een zogenaamde conserverende aanslag ter behoud van de rechten van de Nederlandse overheid. Op grond van artikel 25 van de Invorderingswet 1990 zal voor het bedrag van de ten gevolge van deze negatieve persoonlijke verplichtingen verschuldigde belasting op verzoek uitstel van betaling worden verleend. Dit uitstel wordt verleend bij beschikking. Het uitstel wordt beëindigd, als zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 45c, tweede lid, van de Wet IB'64. Na afloop van deze vijf jaar vervalt het recht tot dwanginvordering en verrekening van deze belastingaanslag.

4. Aansprakelijkheid verzekeraars

Op grond van artikel 44a van de Invorderingswet 1990 kunnen verzekeraars aansprakelijk worden gesteld voor de belasting in verband met de negatieve persoonlijke verplichtingen, welke ingevolge artikel 45c, tweede of derde lid, van de Wet IB'64 in aanmerking worden genomen, alsmede de ingevolge artikel 30d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verschuldigde revisierente. Deze aansprakelijkheid dient tot meer zekerheid voor de Nederlandse overheid. Op de aansprakelijkheid van de verzekeraar zal eerst daadwerkelijk een beroep worden gedaan als belastingschuldige zelf niet voldoet aan zijn betalingsverplichting.

De eenheid van de Belastingdienst, die bevoegd is ten aanzien van een belastingplichtige die in aanmerking komt voor toepassing van artikel 45c, tweede of derde lid, van de Wet IB'64, dient zo spoedig mogelijk, nadat de aansprakelijkheid is ontstaan, de verzekeraar schriftelijk van de aansprakelijkheid in kennis te stellen. In deze kennisgeving moet tevens worden aangegeven, voor welk bedrag de verzekeraar eventueel aansprakelijk zal worden gesteld. Een kopie van de kennisgeving wordt in het (invorderings-) dossier van belastingschuldige achtergehouden, zodat bij een beroep op de aansprakelijkheid duidelijk is, welke verzekeringsmaatschappij voor welk bedrag benaderd moet worden.

Een tweetal modellen voor de kennisgeving van de aansprakelijkheid is als bijlage bij deze aanschrijving gevoegd. De modellen zullen worden opgenomen in het modellenboek Particulieren en het modellenboek Ondernemingen.

5. Ingangsdatum

Ik wijs er tenslotte nog op, dat het vorenstaande slechts geldt voor lijfrentepolissen, die na 15 oktober 1990 zijn gesloten, of voor polissen, waarvan de polisvoorwaarden na 15 oktober 1990 zijn gewijzigd. Het vorenstaande geldt echter niet voor polissen, die op 31 december 1991 bestonden maar waarop na die datum geen premies zijn voldaan.

De Staatssecretaris van Financiën,

namens deze,

De Directeur-Generaal der Belastingen,

C. BOERSMA.

 

Bijlage 1. Model 1. Kennisgeving aansprakelijkheid art. 45c, tweede lid, Wet IB'64

[Naam verzekeringsmij]

[adres] [postcode] [plaats]

Aansprakelijkheid ingevolge artikel 44a van de Invorderingswet 1990. [Kenmerk]

Blijkens de mij bekende gegevens heeft [naam verzekeringnemer] onder nummer [nr. lijfrentepolis] bij u een lijfrentepolis afgesloten. Ten aanzien van deze polis heeft zich het volgende voorgedaan: [een van de onderdelen van artikel 45c-2 Wet IB'64].

Op grond van het bepaalde in artikel 45c, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 juncto artikel 44a van de Invorderingswet 1990 deel ik u mede, dat u aansprakelijk bent voor de door [voornoemde verzekeringnemer/de rechthebbende] verschuldigde belasting over de als negatieve persoonlijke verplichtingen in aanmerking te nemen premies, alsmede voor de op grond van artikel 30d, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verschuldigde revisierente. Het bedrag, waarvoor u aansprakelijk bent, is f [bedrag].

Een daadwerkelijk beroep op uw aansprakelijkheid overeenkomstig het bepaalde in artikel 49 e.v. van de Invorderingswet 1990 zal niet eerder worden gedaan, dan nadat is gebleken dat vorenbedoelde belastingschuldige niet aan zijn betalingsverplichting voldoet c.q. kan voldoen.

Hoogachtend,

 

Bijlage 2. Model 2. Kennisgeving aansprakelijkheid art. 45c, derde lid, Wet IB'64

[Naam verzekeringsmij]

[adres] [postcode] [plaats]

Aansprakelijkheid ingevolge artikel 44a van de Invorderingswet 1990. [Kenmerk]

Blijkens de mij bekende gegeven heeft [naam verzekeringnemer] onder nummer [nr. lijfrentepolis] bij u een lijfrentepolis afgesloten. [Voornoemde verzekeringnemer/ De rechthebbende] is geëmigreerd. Op grond van het bepaalde in artikel 45c, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 juncto artikel 44a van de Invorderingswet 1990 deel ik u mede, dat u aansprakelijk bent voor de door vorenbedoelde belastingplichtige verschuldigde belasting over de als negatieve persoonlijke verplichtingen in aanmerking te nemen premies, alsmede voor de op grond van artikel 30d, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verschuldigde revisierente. Het bedrag, waarvoor u aansprakelijk wordt gesteld, is f [bedrag].

Een daadwerkelijk beroep op uw aansprakelijkheid overeenkomstig het bepaalde in artikel 49 e.v. van de Invorderingswet 1990 zal eerst worden gedaan, als daar aanleiding toe bestaat. Aan belastingplichtige zal een zogenaamde conserverende aanslag worden opgelegd. Voor het genoemde bedrag [kan/zal] aan Belastingschuldige uitstel van betaling worden verleend. Alleen indien zich ten aanzien van voornoemde polis één van de in artikel 45c, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting bedoelde situaties voordoet, is belastingschuldige verplicht alsnog het (resterende) bedrag van de aanslag te voldoen. Eerst als belastingschuldige in gebreke blijft, zal een beroep worden gedaan op uw aansprakelijkheid. Het recht op (dwang)invordering van de Belastingdienst vervalt vijf jaar na het moment, dat het desbetreffende uitstel van betaling is verleend.

Hoogachtend,