Onzekerheidsvereiste lijfrente ten behoeve van kinderen; verlaging uitkering na overlijden partner

Besluit van 21 april 1994, nr. DB94/1411M

1. Inleiding

Op grond van het bepaalde in artikel 45, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, wordt onder lijfrente verstaan: "de aanspraak ingevolge (....) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden (....)".

Eindigt de lijfrente bovendien op een vaste einddatum dan is sprake van een tijdelijke lijfrente. Een lijfrente moet voldoen aan het zgn. onzekerheidsvereiste. Bij een tijdelijke lijfrente betekent dit, dat slechts sprake is van een lijfrente in fiscale zin ingeval er op het moment dat de termijnen gaan lopen een zodanig overlijdensrisico bestaat met betrekking tot het verzekerde lijf, dat er sprake is van een voldoende mate van onzekerheid omtrent het al dan niet vervallen van voorziene termijnen gedurende de maximale looptijd van de tijdelijke lijfrente. In zijn arrest van 30 oktober 1991, BNB 1992/5, besliste de Hoge Raad dat een overlijdensrisico van ongeveer 1% van wezenlijke betekenis is, en derhalve voldoende om te kunnen spreken van een lijfrente.

Om te kunnen worden aangemerkt als een lijfrente als bedoeld in artikel 45 Wet IB 1964 moet sprake zijn van een aanspraak op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen. Een aanspraak op periodieke uitkeringen die niet "vast" zijn, kan derhalve niet worden aangemerkt als een lijfrente als bedoeld in artikel 45 Wet IB 1964.

Mij zijn met betrekking tot de toepassing van deze bepalingen ten aanzien van enkele levensverzekeringsprodukten de volgende vragen voorgelegd.

2. Vragen

a. Lijfrente ten behoeve van kinderen

In artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 2, Wet IB 1964 wordt de mogelijkheid geopend voor een gefacilieerde nabestaandenlijfrente.

Indien een dergelijke lijfrente toekomt aan een naaste verwant, dient deze uitsluitend te eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt. In de praktijk kan deze bepaling tot fricties aanleiding geven indien het gaat om een lijfrente ten behoeve van een kind voor de periode dat het kind nog verzorgingsbehoeftig is of studeert. Een recht op uitkeringen ten behoeve van een kind dat uiterlijk eindigt bij meerderjarigheid, het bereiken van de leeftijd van 27 of zelfs 30 jaar, zal veelal onvoldoende overlijdensrisico kennen om te kunnen worden aangemerkt als een lijfrente in fiscale zin. Daarmee wordt de in de wet geboden mogelijkheid nagelaten betrekkingen tot het moment dat deze op eigen benen kunnen staan te verzorgen door middel van een lijfrente, in vele gevallen illusoir.

b. Vaste en gelijkmatige uitkeringen; verlaging na overlijden partner

Echtparen of ongehuwd samenlevende partners hebben vaak de wens in hun oudedagsvoorziening te voorzien door middel van lijfrente-uitkeringen, waarbij na overlijden van één van beide partners de overblijvende partner een uitkering blijft genieten ter grootte van 70% van de oorspronkelijke termijnen. In de wetgeving is hiermee rekening gehouden door de combinatie van een lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 1, Wet IB 1964 (oudedagslijfrente) en een lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 2, Wet IB 1964 (nabestaandenlijfrente). Wanneer een partner een oudedagslijfrente heeft verzekerd en daarnaast een nabestaandenlijfrente ter grootte van 70% van zijn oudedagslijfrente en hij komt het eerst te overlijden dan wordt de gewenste oudedagsvoorziening zonder meer bereikt. Dit is echter anders indien hij het laatst komt te overlijden. Een verlaging van de lopende oudedagslijfrente tot 70% van de oorspronkelijke grootte stuit af op de voorwaarde dat sprake moet zijn van een aanspraak op vaste en gelijkmatige uitkeringen. Een aanspraak op uitkeringen die op een gegeven moment dalen tot 70% van hun oorspronkelijke grootte kan immers niet worden aangemerkt als een aanspraak op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen.

3. Goedkeuring

De achtergrond van de Brede-Herwaarderingswetgeving is het mogelijk maken van het voorzien in reële verzorgingsbehoeften. In het vorenstaande heb ik aanleiding gevonden tot de volgende goedkeuringen.

a. Lijfrente ten behoeve van kinderen

De beoordeling van de onzekerheid in een nabestaandenlijfrente die toekomt aan een persoon welke behoort tot de kring van naaste verwanten als bedoeld in art. 45, eerste lid, onderdeel g, onder 2, Wet IB 1964, welke lijfrente, zo deze niet levenslang loopt, uiterlijk moet eindigen op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt, kan achterwege blijven.

b. Verlaging uitkering na overlijden partner

In situaties waarin twee partners (echtgenoten of ongehuwd samenwonende partners) een uitkering verzekeren tot een bepaald gewenst niveau, welke uitkering zakt tot het in dergelijke situaties algemeen aanvaarde percentage van 70% van de oorspronkelijke uitkering in geval van overlijden van één van beide partners, zullen de inspecteurs zich niet op het standpunt stellen dat geen sprake is van vaste uitkeringen.
De Staatssecretaris van Financiën,

namens deze,

De Plv. Directeur-Generaal der Belastingen,

MR. P.P.W. SWILDENS.