Voordeel bij afkoop te laat tot stand gekomen kapitaalverzekering met lijfrenteclausule belast; toepassing saldomethode

PROCES-VERBAAL BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
Belastingkamer : Tweede enkelvoudige
Zaaknummer : BK 02/02632 
Datum uitspraak : 21 mei 2003
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 mei 2003, gehouden te Dordrecht. Aldaar is verschenen belanghebbende alsmede namens mevrouw A namens de Inspecteur.

Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden
1. Belanghebbende heeft met dagtekening 22 oktober 1990 bij AMEV Levensverzekering N.V. een aanvraag voor een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule ingediend. De polis is afgegeven op 29 oktober 1990. De ingangsdatum van de verzekering is 1 oktober 1990. Een kopie van de polis behoort tot de gedingstukken. Belanghebbende heeft niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om de polis aan de per 1 januari 1992 van kracht zijnde zogenoemde Brede Herwaardering aan te passen.

2. Vanaf 1 oktober 1990 en voor het laatst op 1 oktober 1998 is jaarlijks 10.880,80 aan premie verschuldigd. Vanaf 1 oktober 1999 en voor het laatst op 1 oktober 2003 is 10.169,00 per jaar aan premie verschuldigd.

3. Belanghebbende heeft de premie vanaf 1990 telkens in aftrek gebracht tot en met het jaar 1997. Ter zake van de premie die belanghebbende over de periode 1993 tot en met 1997 in aftrek heeft gebracht, zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor die jaren opgelegd. De tegen de navorderingsaanslagen gerichte bezwaarschriften heeft de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende is tegen die uitspraken niet in beroep gekomen bij het Hof.

4. In 1999 heeft belanghebbende de polis afgekocht. Ter zake van deze afkoop is aan hem op 1 oktober 1999 een bedrag van 105.880 uitgekeerd.

5. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van 179.380. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur 29.713 bijgeteld ter zake van de afkoop van de polis. Dit bedrag is als volgt berekend:
uitkering 105.880
premie 1992 10.881
premie 1993 10.881
premie 1994 10.881
premie 1995 10.881
premie 1996 10.881
premie 1997 10.881
premie 1998 10.881
belast 29.713
De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van 209.093.

6. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur de onder 5 vermelde correctie terecht heeft aangebracht, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

7. Ingevolge het per 1 januari 1992 gewijzigde artikel 45 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) wordt de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule sinds voornoemde datum niet langer aangemerkt als een lijfrente in de zin van de Wet. In artikel 75 van de Wet is in verband met deze wijziging een overgangsregeling opgenomen. Op grond van artikel 75, eerste lid, van de Wet blijven met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen en de daarvoor voldane premies de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 van kracht, indien de aanspraak en het bedrag van de voldane premies zijn opgenomen in een op 15 oktober 1990 bestaande overeenkomst die met betrekking tot het bedrag van de premies niet is verhoogd, dan wel indien ter zake van een op 31 december 1991 bestaande overeenkomst nadien geen premies meer zijn voldaan. Uit de vaststaande feiten volgt dat de onderhavige overeenkomst op 15 oktober 1990 nog niet bestond en dat ter zake van de op 31 december 1991 bestaande overeenkomst nadien wel premies zijn voldaan. De Inspecteur heeft derhalve terecht geconstateerd dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor de in artikel 75 van de Wet neergelegde eerbiedigende werking.

8. Ingevolge artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die de tegenwaarde voor een prestatie vormen tot de inkomsten uit vermogen voor zover zij de waarde van de prestatie te boven gaan, met dien verstande dat die waarde wordt verminderd met het gezamenlijke bedrag van hetgeen bij de bepaling van het belastbare inkomen in verband met de verkrijging van dat recht als premie in aanmerking kon worden genomen. Op grond van artikel 25, lid 10, van de Wet wordt hetgeen met betrekking tot een recht op zodanige periodieke uitkeringen of verstrekkingen wordt genoten ter zake van afkoop mede beschouwd als een periodieke uitkering of verstrekking die de tegenwaarde voor een prestatie vormt.

9. Gelet op het overwogene onder 7 en 8 heeft de Inspecteur terecht geconstateerd dat ter zake van de afkoop van de polis een bedrag tot het belastbare inkomen van belanghebbende dient te worden gerekend. Nu belanghebbende de betaalde premie vanaf 1990 tot en met het jaar 1997 steeds in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor die jaren in aftrek heeft gebracht en de Inspecteur slechts de over de periode 1993 tot en met 1997 in aftrek gebrachte premies heeft nagevorderd heeft de Inspecteur de onder 5 vermelde correctie niet naar een te hoog bedrag berekend.

10. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 21 mei 2003 door mr. Biemond en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier drs. Bravenboer.

(Bravenboer) (Biemond)

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: AH9135