Geen recht op aftrek lijfrentepremie voor in België wonende belastingplichtige; niet voldaan aan 90%-regeling. Bovendien geen sprake van lijfrenteverzekering

UITSPRAAK BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
Belastingkamer : Vierde meervoudige
Zaaknummer : BK 00/02899
Datum uitspraak : 19 november 2003
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting / AWR

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (België) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen te P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de premie volksverzekeringen opgelegd naar een premie-inkomen van 62.498,-, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van 60,- ( 27,23).
De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.
1.3. Het eerste onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad ter zitting van de derde meervoudige Belastingkamer op 8 oktober 2002 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.
Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een "boekje" overgelegd bestaande uit 42 pagina's.
Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.
1.4. Vervolgens heeft de derde meervoudige Belastingkamer van het Hof de zaak verwezen naar de vierde meervoudige Belastingkamer.
1.5. Het nadere onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgehad op 27 augustus 2003 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.
Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter beider zittingen staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:
2.1. Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit, is gehuwd en inwoner van België.
2.2. Belanghebbende werkte in 1997 het gehele jaar in Nederland in dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigde werkgever. Belanghebbende is het gehele jaar 1997 aan te merken als een grensarbeider ingevolge artikel 15, derde lid, van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brussel op 19 oktober 1970 (Trb. 1970, 192; hierna: het Verdrag). Derhalve is de woonstaat België bevoegd het loon van belanghebbende in de belastingheffing te betrekken.
2.3. De echtgenote van belanghebbende was in 1997 het gehele jaar in België in dienstbetrekking. Zij ontving een salaris van, omgerekend, 46.248,-, alsmede Belgisch kindergeld voor een kind, geboren op 10 februari 1981.
2.4. Belanghebbende betaalde in 1997 4.112,- aan hypotheekrente, betrekking hebbende op de in België gelegen eigen woning.
2.5. Belanghebbende betaalde in 1997 521,- aan A N.V. te Q (België) terzake van pensioensparen. De voorwaarden van deze verzekering zijn gelijkluidend aan de door belanghebbende ingebrachte voorwaarden van B.
2.6. Belanghebbende betaalde in 1997 2.018,- aan rente terzake van een persoonlijke lening.
2.7. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een premie-inkomen van 55.847,- onder toepassing van tariefgroep drie, welk premie-inkomen als volgt is samengesteld:

Inkomsten uit dienstbetrekking 68.746
Af: reiskosten 130 -
Af: beroepskosten 2.598 -
66.018
Af: hypotheekrente 4.112 -
Onzuiver inkomen 61.906
Af: lijfrentepremie 521 -
Af: rente van schulden 2.018 -
Af: buitengewone lasten 3.520 -
Premie-inkomen 55.847.

2.8. De Inspecteur heeft bij de bepaling van het premie-inkomen de hypotheekrente, lijfrentepremie en rente van schulden niet in aftrek toegestaan en het premie-inkomen aldus vastgesteld op 62.498,-. Voorts heeft de Inspecteur belanghebbende ingedeeld in tariefgroep twee.
2.9. De aanslag premieheffing is berekend naar het premiemaximum van 45.960,-.
2.10. Het wereldinkomen van belanghebbende en zijn echtgenote was in 1997 voor minder dan 90% onderworpen aan Nederlandse premieheffing.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Kan het saldo van de betaalde hypotheekrente en de huurwaarde van de in België gelegen eigen woning ten laste van het premie-inkomen worden gebracht?
2. Kunnen de onder 2.5. genoemde premies ten laste van het premie-inkomen worden gebracht?
3. Kan de onder 2.6. genoemde rente ten laste van het premie-inkomen worden gebracht?
4. Kan belanghebbende worden ingedeeld in tariefgroep drie?
5. Is belanghebbende premieplichtig uit hoofde van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ)?

Belanghebbende is van oordeel dat de vragen een tot en met vier bevestigend moeten worden beantwoord en vraag 5 ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting van 8 oktober 2002 hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

Gemachtigde
Met in strijd met de Grondwet en het Europees recht bedoel ik in strijd met het Europese recht.
Belanghebbende heeft geen recht op prestaties ingevolge de AWBZ, dus het is niet terecht dat belanghebbende wel premies ingevolge de AWBZ verschuldigd is. Een medewerkster van mijn kantoor, die woonachtig is in België en dus werkzaam in Nederland, heeft namelijk voor haar kind ook geen recht op prestaties ingevolge de AWBZ.
Nu de aftrek buitengewone lasten geheel is geaccepteerd door de Inspecteur, is hetgeen staat in mijn "boekje" met betrekking tot de buitengewone lasten in deze zaak niet van toepassing.
Er is sprake van een ongelijke behandeling van ambtenaren en
niet-ambtenaren.

Beide partijen
Gemachtigde zal ter informatie een Cd-rom met Belgische wetteksten inzenden. Deze Cd-rom behoort niet tot de gedingstukken.

Ter zitting van 27 augustus 2003 hebben partijen nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Gemachtigde
Enkele weken geleden is de Europese Grondwet ondertekend: er mag niet worden gediscrimineerd.
Vanaf 2001 is het saldo van de hypotheekrente en de huurwaarde van belanghebbendes woning wel aftrekbaar.
Belanghebbende is, gezien zijn looninkomsten, niet ziekenfondsverzekerd. Niet-ziekenfondsverzekerden hebben geen recht op prestaties ingevolge de AWBZ. Het is daarom niet terecht dat er wel premie is verschuldigd.
In de aangifte heb ik per abuis het huurwaardeforfait niet aangegeven. Mijn stelling is dus niet dat de hypotheekrente aftrekbaar is, maar dat het saldo van de hypotheekrente en het huurwaardeforfait aftrekbaar is.

Beide partijen
Het huurwaardeforfait kan worden gesteld op 2.187,-.

Inspecteur
Ten aanzien van fictief binnenlandse belastingplichtigen in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) verleent de Belastingdienst bij de premieheffing stelselmatig aftrek ter zake van het saldo van het huurwaardeforfait en de hypotheekrente ten aanzien van de in België gelegen eigen woning.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag overeenkomstig zijn in de stukken ingenomen standpunten. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil
4.1. Het Hof zal allereerst de vijfde in geschil zijnde vraag behandelen.
4.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, van 14 juni 1971, nr. 1408/71 (hierna: de Verordening), is belanghebbende uitsluitend onderworpen aan de sociale verzekeringswetgeving van de werkstaat Nederland.
4.3. De heffing van de premie volksverzekeringen is gebaseerd op de Wet financiering volksverzekeringen (hierna: de WFV). Ingevolge het bepaalde in artikel 1 van de WFV wordt onder volksverzekeringen verstaan: de verzekeringen bedoeld in artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW), artikel 13 van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW), artikel 5 van de AWBZ en artikel 4 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW).
4.4. Vaststaat dat belanghebbende verzekerde is ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de in overweging 4.3. genoemde artikelen van de AOW, ANW, AWBZ en AAW.
4.5. Belanghebbende heeft gesteld dat het niet terecht is, dat hij premieplichtig is voor de AWBZ, omdat hij geen recht op prestaties zou hebben vanwege het feit dat hij in Nederland een salaris geniet dat de loongrens, genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Ziekenfondswet (hierna: ZFW), overschrijdt.
De bepalingen inzake ziekte en moederschap van de Verordening zijn, voor wat Nederland betreft, niet van toepassing op personen die niet verzekerd zijn ingevolge de ZFW (zie artikel 89 van de Verordening in verbinding met Bijlage VI, letter J, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening). Derhalve heeft belanghebbende geen recht op prestaties volgens het Belgisch stelsel ingevolge de Verordening. Belanghebbende heeft in België evenwel op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering in verbinding met artikel 2 van de Regeling Ziekenfondsraad hulp in bijzondere omstandigheden AWBZ recht op vergoeding van kosten van buiten Nederland verleende zorg. Derhalve kan niet worden gezegd dat het niet terecht is dat belanghebbende premieplichtig is voor de AWBZ.
4.6. Belanghebbende heeft ter zitting opgemerkt dat hem een geval bekend is waarbij het kind van een in België wonende persoon, die in Nederland werkt, geen recht op prestaties ingevolge de AWBZ heeft. In het buitenland wonende gezinsleden van verzekerden zijn echter zélf niet verzekerd ingevolge de AWBZ. Zij zijn derhalve niet premieplichtig en hebben geen recht op prestaties.
4.7. Belanghebbende bepleit aftrek van de negatieve inkomsten uit de eigen woning, gelegen in België.
4.8. Belanghebbende is inwoner van België en derhalve buitenlands belastingplichtig in de zin van Hoofdstuk III van de Wet. Zoals overwogen in 4.2 is belanghebbende uitsluitend onderworpen aan de sociale verzekeringswetgeving van de werkstaat Nederland.
Artikel 7 van de WFV bepaalt:

"De maatstaf voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen is het premie-inkomen van de premieplichtige.".

Artikel 8 van de WFV bepaalt, voorzover hier van belang:

"Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen of het belastbare binnenlandse inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 [...]".

De WFV koppelt dus het premie-inkomen aan het belastbare binnenlandse inkomen.

Artikel 48, eerste lid, van de Wet bepaalt:

"1. Ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen wordt de belasting geheven naar het belastbare binnenlandse inkomen.".

Artikel 49, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet bepaalt, voorzover hier van belang:

"1. Het binnenlands onzuivere inkomen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen een niet in Nederland wonende persoon geniet als:
[...]
c. zuivere inkomsten uit:
1° arbeid, voor zover die inkomsten worden genoten ter zake van het in Nederland vervullen of vervuld zijn van een dienstbetrekking [...]";
2° onroerende zaken in Nederland gelegen;".

Tot het belastbare binnenlandse inkomen van belanghebbende behoren blijkens de artikelen 48 en 49 van de Wet niet de zuivere inkomsten uit zijn in België gelegen eigen woning. Zowel het huurwaardeforfait als ook de hypotheekrente en andere rente en kosten met betrekking tot de eigen woning in België behoren derhalve niet tot zijn premie-inkomen.
4.9. Belanghebbende heeft gesteld dat hij wordt gediscrimineerd ten opzichte van de niet in Nederland wonende Nederlanders die in dienstbetrekking staan tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon (hierna: ambtenaren), ten aanzien van wie de onderhavige aftrek wel wordt toegestaan.
4.10. Belanghebbende, die geen ambtenaar is, doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel in de meest ruime zin des woords. Hij bepleit te dezen dezelfde behandeling als die door de Inspecteur aan ambtenaren wordt verleend. Wat er ook zij van het antwoord op de vraag of die behandeling door de Inspecteur van ambtenaren rechtens juist is, strandt het beroep van belanghebbende reeds op het feit, dat zijn geval rechtens niet vergelijkbaar is met het geval van een ambtenaar. Immers, ingevolge artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Verordening "is op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;", terwijl belanghebbende onderworpen is aan de wetgeving van zijn werkstaat (zie 4.2).
4.11. Voorzover belanghebbende beweert dat Nederland het gemeenschapsrecht schendt, strandt zijn beroep in elk geval op hetgeen is overwogen in Hoge Raad 20 december 2000, nummer 35 576, BNB 2001/192, rechtsoverweging 3.5.2.
Het staat de lidstaten blijkens dat arrest vrij om in het kader van bilaterale verdragen ter vermijding van dubbele belasting de aanknopingspunten ter verdeling van heffingsbevoegdheden vast te stellen. Er is in het bijzonder geen sprake van zichtbare of verkapte discriminatie op grond van nationaliteit, wanneer een land de aftrek weigert van negatieve inkomsten uit de niet in Nederland gelegen eigen woning aan niet-ingezetenen.
Uit het arrest blijkt dat Nederland op geoorloofde wijze discrimineert wanneer het alleen de negatieve opbrengsten van de eigen woning van haar eigen ingezetenen in aftrek toelaat en voor de aftrek van diezelfde negatieve opbrengst bij niet-ingezetenen verwijst naar het land, waar de woning is gelegen.
Er is bij dat uitgangspunt in elk geval geen sprake van willekeurige discriminatie. Nederland komt er rond voor uit. Er is bovendien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het toerekenen van de lasten aan de staat die ook de opbrengst mag belasten.
4.12. Dit betekent naar het oordeel van het Hof dat belanghebbende noch op de beginselen, noch op enige vrije verkeersbepaling van het gemeenschapsrecht een beroep kan doen.
4.13. Om dezelfde reden kan belanghebbende naar het oordeel van het Hof ook geen beroep doen op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Het Hof ziet althans geen reden om in dit verband voor het gemeenschapsrecht en het IVBPR verschillende maatstaven te hanteren. Dat leidt het Hof ook af uit hetgeen is beslist in Hoge Raad 2 november 2001, nr. 36 207, BNB 2001/426.
4.14. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is aftrek van negatieve inkomsten uit de eigen woning niet een aftrek met het oog op de persoonlijke en gezinssfeer, als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 14 februari 1995, nr. C-279/93, BNB 1995/187 (hierna: de zaak Schumacker). Dat heeft de Hoge Raad expliciet beslist in het arrest van 20 december 2000, nummer 35 576, BNB 2001/192.
4.15. Het is juist dat de wetgever met ingang van 1 januari 2001 de onderhavige aftrek aan niet-ingezetenen onder voorwaarden toestaat, doordat buitenlands belastingplichtigen kunnen kiezen voor toepassing van de regels voor binnenlands belastingplichtigen. De betreffende wetswijziging was in 1997 echter nog niet van kracht. Uit niets blijkt dat de wetgever terugwerkende kracht wenste, dan wel dat er sprake is van enige toezegging van die strekking gedaan van de zijde van het bestuur.
4.16. Belanghebbende bepleit voorts aftrek van de betaalde premies voor pensioensparen, alsmede van de betaalde rente ter zake van een persoonlijke lening.
4.17. Het inkomen van de echtgenote van belanghebbende is onderworpen aan Belgische belasting- en premieheffing. Nu het onzuivere wereldinkomen van belanghebbende en zijn echtgenote niet voor ten minste 90% aan de heffing van inkomstenbelasting of van premie volksverzekeringen is onderworpen, is voor aftrek als vermeld in 4.16 geen plaats.
4.18. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overwoog in de zaak Schumacker:

"30. Volgens vaste rechtspraak is er slechts sprake van discriminatie, wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regel wordt toegepast op verschillende situaties.
31. Bij de directe belastingen nu is de situatie van ingezetenen en die van niet-ingezetenen in het algemeen niet vergelijkbaar.
32. Het door een niet-ingezetene in een staat verworven inkomen vormt meestal slechts een deel van zijn totale inkomen, waarvan het zwaartepunt is geconcentreerd op de plaats waar hij woont. De persoonlijke draagkracht van de niet-ingezetene, die gevormd wordt door zijn totale inkomsten en zijn persoonlijke en gezinssituatie, kan voorts het gemakkelijkst worden beoordeeld op de plaats waar hij het centrum van zijn persoonlijke en vermogensrechtelijke belangen heeft. Die plaats correspondeert in het algemeen met de gebruikelijke woonplaats van de betrokkene. Ook in het internationale belastingrecht, en in het bijzonder het door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opgestelde modelverdrag inzake dubbele belasting, wordt aanvaard dat het in beginsel de woonstaat is die bevoegd is de belastingplichtige naar het wereldinkomen te belasten, daarbij rekening houdend met diens persoonlijke en gezinsomstandigheden.
33. Dit is anders voor de ingezetene, aangezien in zijn geval de belangrijkste inkomstenbestanddelen gewoonlijk in de woonstaat zijn geconcentreerd. Voorts beschikt deze staat in het algemeen over de nodige gegevens om de globale draagkracht van de belastingplichtige, gelet op zijn persoonlijke en gezinssituatie, te kunnen beoordelen.
34. Wanneer derhalve een Lid-Staat een niet-ingezetene niet in aanmerking brengt voor bepaalde belastingvoordelen die hij aan de ingezetene verleent, dan is dat in de regel niet discriminerend, aangezien deze twee categorieën belastingplichtigen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden.
35. Onder deze omstandigheden verzet artikel 48 EEG-Verdrag zich in beginsel niet tegen de toepassing van een regeling van een Lid-Staat waardoor de inkomsten van de niet-ingezetene die in deze staat in loondienst werkzaam is, zwaarder worden belast dan die van de ingezetene met dezelfde werkzaamheid.
36. Dit is echter anders in een geval als het onderhavige, waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft door de arbeid verricht in een andere staat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie.
37. Tussen de situatie van een dergelijke niet-ingezetene en die van een in een soortgelijke functie werkzame ingezetene bestaat geen objectief verschil dat grond kan opleveren voor een verschillende behandeling ten aanzien van het in aanmerking nemen bij de belastingheffing van de persoonlijke en gezinssituatie van de belastingplichtige.
38. In het geval van een niet-ingezetene die het grootste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn gehele gezinsinkomen verwerft in een andere Lid-Staat dan de woonstaat, is de discriminatie gelegen in het feit dat met de persoonlijke en de gezinssituatie van deze niet-ingezetene noch in de woonstaat noch in de staat waarin hij werkzaam is, rekening wordt gehouden."

4.19. Belanghebbende heeft gesteld dat de door de Staatssecretaris gestelde grens van 90%, gelet op het overwogene in de zaak Schumacker, te hoog is. Volgens belanghebbende is deze grens te stellen op 50% vermeerderd met de kleinste eenheid van munt in de desbetreffende lidstaat, zodat 50,0000001% ook voldoet. Voorts stelt belanghebbende dat uit de zaak Schumacker volgt, dat het inkomen van de echtgenote buiten beschouwing moet worden gelaten. Uit de hiervoor opgenomen rechtsoverweging 38 volgt dat belanghebbendes stelling onjuist is.
4.20. Belanghebbende heeft zich ten aanzien van de in geding zijnde aftrekposten ter zitting nog beroepen op de Europese Grondwet. Deze kan hem echter niet baten, reeds omdat deze zich nog in een voorbereidende fase bevindt.
4.21. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk ook met betrekking tot de tweede en derde vraag aan de Inspecteur is.
Ten overvloede merkt het Hof op dat, ook al zou belanghebbende hebben voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de 90%-regeling, dan nog zou de betaalde premie voor pensioensparen niet aftrekbaar zijn, omdat uit de bij deze verzekering behorende algemene voorwaarden blijkt dat het hier een kapitaalverzekering betreft. Niet is gebleken dat wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 45 en 45a van de Wet. Dat volgens belanghebbende in België alle uitkeringen ingevolge overeenkomsten van levensverzekering belast zijn, doet hier niet aan af.
4.22. Belanghebbende stelt dat hij moet worden ingedeeld in tariefgroep 3.
De heffing van de premie volksverzekeringen is gebaseerd op de WFV. Artikel 10, derde lid, van de WFV bepaalt:

"De belastbare som voor de premieheffing in geval van heffing bij wijze van aanslag is het premie-inkomen verminderd met de voor de premieplichtige als belastingplichtige in aanmerking te nemen belastingvrije som als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964."

Artikel 53, tweede lid, van de Wet verwijst naar de tariefgroepindeling in artikel 54 van de Wet. Deze is nader uitgewerkt in de artikelen 55 en 56 van de Wet.
Artikel 55, tweede lid, van de Wet bepaalt, voorzover hier van belang:

"De in Nederland wonende belastingplichtige die in het kalenderjaar onafgebroken gedurende meer dan zes maanden gehuwd is geweest zonder duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot te leven kan de basisaftrek overdragen aan zijn in Nederland wonende echtgenoot, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar geen inkomen heeft genoten of een inkomen dat na verrekening van verliezen uit voorafgaande jaren minder bedraagt dan de basisaftrek. (...)."

4.23. Naar nationaal recht bezien, heeft belanghebbende geen recht op de belastingvrije som van tariefgroep 3, reeds omdat belanghebbende en zijn echtgenote niet in Nederland wonen.
4.24. Ingevolge artikel 25, § 3, van het Verdrag genieten natuurlijke personen die inwoner zijn van een van de staten in de andere staat dezelfde persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin als de laatstbedoelde staat aan zijn eigen inwoners verleent.
4.25. Deze bepaling van het Verdrag brengt mee dat ten aanzien van belanghebbende de belastingvrije som moet worden vastgesteld als ware hij en zijn echtgenote inwoners van Nederland.
4.26. Indien belanghebbende en zijn echtgenote in Nederland zouden wonen en overigens in gelijke omstandigheden zouden verkeren, zou ook met het, in België verdiende, inkomen van de echtgenote van belanghebbende rekening worden gehouden. Van een ongelijke behandeling van inwoners en niet-inwoners is derhalve geen sprake.
4.27. Belanghebbende heeft, naar het Hof verstaat, gesteld dat zijn echtgenote weliswaar een hoger inkomen heeft dan de basisaftrek, maar dat de belasting- en premieheffing over dat inkomen aan België is toegewezen en dat Nederland deswege niet bevoegd is om dat inkomen noch direct, noch indirect in de heffing te betrekken.
4.28. Dat het inkomen van de echtgenote van belanghebbende niet is onderworpen aan Nederlandse belasting- en premieheffing is juist. Nederland heft ook niet over dat inkomen. Dit betekent echter niet, dat Nederland zo ver dient te gaan, dat bij de bepaling van belanghebbendes tariefgroep geen rekening mag worden gehouden met het inkomen van belanghebbendes echtgenote. Het volgen van belanghebbendes standpunt zou betekenen dat hij gunstiger zou worden behandeld dan inwoners van Nederland. Dan pas zou er sprake zijn van een ongelijke behandeling van inwoners en niet inwoners, hetgeen het Verdrag in het onder 4.24 aangehaalde artikel 25 juist tracht te voorkomen.
4.29. Uit het voorgaande volgt dat de echtgenote van belanghebbende de basisaftrek niet kan overdragen aan belanghebbende, en belanghebbende dus geen recht heeft op indeling in tariefgroep 3, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de echtgenote in het kalenderjaar geen inkomen heeft genoten of een inkomen dat na verrekening van verliezen uit voorgaande jaren minder bedraagt dan de basisaftrek. De Inspecteur heeft belanghebbende dan ook terecht ingedeeld in tariefgroep 2.
4.30. Gelet op al het vorenoverwogene is het gelijk geheel aan de Inspecteur. Voor dit geval zijn partijen het er over eens dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J.W. van der Voort en J. Swinkels, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 19 november 2003.

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: AO5103