Kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet tijdig tot stand gekomen; geen sprake van openbaar aanbod verzekeraar

PROCES-VERBAAL BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
Belastingkamer : Vierde enkelvoudige
Zaaknummer : BK 04/01815
Datum uitspraak : 8 juni 2005
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/P, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 25 mei 2005, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen A als de gemachtigde van belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van B, alsmede namens de Inspecteur C, tot zijn bijstand vergezeld van D.


Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.


Gronden

1. Belanghebbende is geboren op 29 september 1960. In het jaar 2000 was hij garagehouder. Hij was als directeur in dienst van Garage Q B.V., van welke B.V. hij grootaandeelhouder was.

2. Bij de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 heeft hij een bedrag van 6.043 in aftrek gebracht ter zake van betaalde premies voor lijfrenten (oude regeling).

3. Op 1 oktober 1990 heeft belanghebbende een aanvraagformulier ondertekend voor een kapitaalverzekering bij leven met premierestitutie bij vooroverlijden, zulks met lijfrenteclausule bij leven en overlijden, alsmede een regelmatig dalende overlijdensrisicoverzekering en een arbeidsongeschiktheidsrente, alles met premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid met een wachttijd van 52 weken.
4. Het aanvraagformulier is op 8 oktober 1990 door de verzekeringsmaatschappij ontvangen.

5. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur voormelde aftrek van 6.043 niet geaccepteerd.

6. Met het oog op de vraag of artikel 75, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 toepassing vindt, is tussen partijen in geschil of, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist, de verzekering waarvoor de in aftrek gebrachte premies zijn betaald op 15 oktober 1990 bestond.

7. Het standpunt van belanghebbende luidt, verkort weergegeven, als volgt.
Primair: De ingangsdatum van de verzekering is 1 oktober 1990. De verzekeringsovereenkomst is op 8 oktober 1990 tot stand gekomen toen de verzekeraar het ingevulde en ondertekende aanvraagformulier had ontvangen. Het betreft hier namelijk het kenbaar worden van de aanvaarding door belanghebbende van een openbaar aanbod van de verzekeraar.
Subsidiair: de in aftrek gebrachte lijfrentepremies hebben uitsluitend betrekking op de kapitaalverzekering bij leven met premierestitutie bij vooroverlijden. Hiervoor was geen medische acceptatie nodig. Voor zover te constateren zou zijn dat de verzekeraar de aanvraag na 15 oktober 1990 heeft geaccepteerd, geldt dat alleen voor de onderdelen waarvoor medische acceptatie noodzakelijk was. Overigens is de aflopende risicoverzekering met ingang van 12 oktober 1990 in voorlopige dekking genomen, althans tot een maximum bedrag van 200.000.

8. De Inspecteur heeft zich, verkort weergegeven, op het volgende standpunt gesteld.
De verzekering is na 15 oktober 1990 tot stand gekomen. Van een openbaar aanbod van de verzekeraar is geen sprake. Daarvoor is onder meer nodig dat de verzekeraar een ieder, die een aanvraag als de onderhavige zou doen, ongeclausuleerd als verzekerde zou accepteren. Hiervan is geen sprake en dit blijkt ook nergens uit. Verder blijkt uit de stukken dat de aanvraag niet eerder dan op 29 november 1990 door de verzekeraar is beoordeeld, dat de polis dateert van 20 december 1990 en dat die polis vanaf die datum om 12.00 uur geldt.
Uit het feit dat er een premievrijstelling is meeverzekerd bij arbeidsongeschiktheid blijkt dat de medische acceptatie ook betrekking had op de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule.

Beoordeling van het beroep

9. Een redelijke verdeling van de stelplicht en van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende de feiten stelt, en bij betwisting door de Inspecteur aannemelijk maakt, op grond waarvan hij meent dat de verzekeringsovereenkomst uiterlijk op 15 oktober 1990 tot stand was gekomen.

10. Gelet op de stukken van het geding en na afweging van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, is het Hof tot de volgende oordelen gekomen.
Uit de feiten kan niet worden afgeleid dat de verzekeraar een openbaar aanbod heeft gedaan. Mitsdien faalt de stelling van belanghebbende dat de verzekeringsovereenkomst op 8 oktober 1990 tot stand is gekomen.
Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsovereenkomst uiterlijk op 15 oktober 1990 tot stand is gekomen, ook niet partieel. Zoals de Inspecteur terecht heeft gesteld, wijzen de relevante stukken op het tegendeel.

11. Op grond van het vorenoverwogene vindt artikel 75, eerste lid, van de Wet geen toepassing. Mitsdien is het beroep ongegrond.

12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Vierhout. De beslissing is op 8 juni 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: AU3082