Onderlinge samenhang tussen kapitaalverzekering en lijfrenteovereenkomst onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van 1 overeenkomst; rentebestanddeel in kapitaalsuitkering niet belast

UITSPRAAK RECHTBANK TE DEN HAAG
Belastingkamer (sector bestuursrecht) : Meervoudige
Procedurenummer : AWB 05/6543
Datum uitspraak : 8 november 2006
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting

UITSPRAAK

als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [eiser], wonende te [Y.], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst [ te P.], verweerder.


1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag (aanslagnummer [00000000000]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 458.142 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 110.770.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 september 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 13 september 2005, ontvangen bij de rechtbank op 14 september 2005, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2006 te 's-Gravenhage.
Namens eiser is verschenen mr. G.F. Lagarde, bijgestaan door mr. R. Duran. Namens verweerder is verschenen S.S. Berger, bijgestaan door drs. A.G.H. Ottenheijm.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser, geboren [geboortedatum 1948], heeft met ingangsdatum 1 oktober 1990 in ieder geval twee levensverzekeringpolissen bij Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: de verzekeringsmaatschappij) afgesloten. Eiser is op beide polissen aangewezen als verzekeringnemer, verzekerde en (eerste) begunstigde.

2.2. De eerste polis (polisnummer [0000597]) betreft een kapitaalverzekering. De kapitaalverzekering leidt bij in leven zijn van de verzekerde op 1 oktober 2002 (de einddatum van de verzekering) tot een uitkering van 1.306.090, vermeerderd met een winstdeling van ten minste 101.042 en bij overlijden van de verzekerde vóór 1 oktober 2002 tot een uitkering van 504.698 terstond na overlijden. Voor de kapitaalverzekering is op 1 oktober 1990 een eenmalige premie verschuldigd van 307.150 en vanaf 1 oktober 1991 tot 1 oktober 2002 een jaarpremie van 61.430 ( 27.875), zolang de verzekerde leeft.

2.3. De tweede polis (polisnummer [0000595]) betreft een direct ingaande lijfrente. Voor de lijfrente is een koopsom verschuldigd van 663.048. De lijfrente leidt vanaf 1 oktober 1990 tot een jaarlijkse uitkering van 61.430 ( 27.875). De lijfrentetermijnen worden jaarlijks bij achterafbetaling uitgekeerd, voor de eerste maal op 1 oktober 1991 en vervolgens gedurende het leven van de verzekerde, echter uiterlijk tot de rentevervaldag onmiddellijk voorafgaande aan de dag van overlijden.

2.4. De door eiser jaarlijks te ontvangen lijfrente-uitkeringen zijn tot de expiratie van de kapitaalverzekering door de verzekeringsmaatschappij verrekend met de door eiser jaarlijks verschuldigde premies voor de kapitaalverzekering.

2.5. Eiser heeft voornoemde polissen naar aanleiding van een offerte van de verzekeringsmaatschappij van 22 augustus 1990 afgesloten. In deze offerte staat onder meer het volgende vermeld:

"... doen wij u hierna een voorstel voor een lijfrenteverzekering en voor een kapitaalverzekering; ons uitgangspunt is een beschikbaar bedrag van 1.000.000,--.

Verzekeringsvoorstel I

Met als ingangsdatum 1-10-1990 sluit u een verzekering van een direct ingaande lijfrente van 61.430,-- per jaar, uit te keren zolang u in leven bent. Bovendien wordt verzekerd een lijfrente van 6.999,-- per jaar, ingaande op 01-10-2001, mits u dan in leven bent en uit te keren zolang u in leven bent. De vanaf 01-10-2001 uit te keren lijfrente bedraagt derhalve 68.429,-- per jaar (voor de eerste maal op 01-10-2002).

De voor deze verzekering op de ingangsdatum verschuldigde koopsom bedraagt 692.850,--.
(...)

Verzekeringsvoorstel II

Wij gaan ervan uit dat u een bedrag van 1.000.000,-- beschikbaar hebt voor belegging. Van dit bedrag wordt 692.850,-- aangewend voor de onder I voorgestelde verzekering, zodat 307.150,-- resteert.
Hierna doen wij u een voorstel voor een kapitaalverzekering tegen premiebetaling met een duur van 12 jaar, waarvoor worden aangewend:
- het restant ad 307.150,-- van het voor belegging beschikbare bedrag en
- de eerste 11 lijfrentetermijnen van de onder I voorgestelde verzekering.

ingangsdatum verzekering 01-10-1990
einddatum verzekering 01-10-2002
(...)
de voor deze verzekering verschuldigde
jaarpremie bedraagt: op de ingangsdatum van de verzekering 307.150,--
vanaf 01-10-1991 tot de einddatum van de verzekering of tot uw eerder overlijden 61.430,--.".

2.6. Met boekdatum 25 september 2002 heeft de verzekeringsmaatschappij ter zake van de kapitaalverzekering een bedrag van 741.674,99 ( 1.634.436) aan eiser uitgekeerd.

2.7. Eiser heeft over het jaar 2002 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 60.630 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 110.770. Eiser heeft daarbij een bedrag van 27.873 als lijfrente-uitkering tot het belastbare inkomen uit werk en woning en een bedrag van 422.138 (waarde in het economische verkeer ad 668.994 -/- 246.856 (vrijstelling ex artikel I, onderdeel AN Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (2x)) als een niet-vrijgesteld deel uit een kapitaalverzekering tot de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar in de zin van artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gerekend.

2.8. Bij de aanslagregeling heeft verweerder het rentebestanddeel van de kapitaalsuitkering tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend. Het belastbare inkomen uit werk en woning is daarbij gecorrigeerd met een bedrag van 397.512 ( 876.003), zijnde de kapitaalsuitkering van 1.634.436 -/- de actuarieel berekende koopsom van de kapitaalsverzekering van 758.433.

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder de in 2.8. vermelde correctie terecht heeft aangebracht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij de door eiser afgesloten polissen sprake is van twee los van elkaar staande zelfstandige verzekeringen, hetgeen eiser verdedigt, dan wel op basis van herkwalificatie van een kapitaalverzekering tegen betaling van een koopsom in samenhang met een uitgestelde lijfrenteverzekering, hetgeen verweerder verdedigt.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat, indien het standpunt van verweerder juist zou zijn het belastbare inkomen uit werk en woning tot op een bedrag van 432.386 ( 458.142 -/- 27.875 lijfrente-uitkering + 2.119 interne compensatie in verband met nieuw actuarieel berekende koopsom van 753.764) en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot op een bedrag van 102.268 dienen te worden verminderd.

3.3. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 60.630 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 110.770. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 432.386 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 102.268.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.


4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat dat tussen beide polissen veel overeenkomsten bestaan. Zo zijn beide polissen bij dezelfde verzekeringsmaatschappij afgesloten, is er sprake van dezelfde verzekeringnemer, dezelfde verzekerde en dezelfde (eerste) begunstigde, hebben beide polissen dezelfde ingangsdatum, komt de hoogte van de lijfrente-uitkering overeen met die van de premie voor de kapitaalverzekering, zijn de vervaldata van de lijfrente-uitkeringen gedurende de looptijd van de kapitaalverzekering gelijk aan die van de premies voor de kapitaalverzekering en zijn de lijfrente-uitkeringen met de verschuldigde premies voor de kapitaalverzekering verrekend.

4.2. Voorts staat vast dat de looptijden van beide polissen niet met elkaar overeenkomen. Nu de looptijd van de lijfrenteovereenkomst (van 1990 tot het overlijden van eiser) substantieel afwijkt van de looptijd van de kapitaalverzekering (van 1990 tot 2002) is de onderlinge samenhang tussen beide polissen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen tot één overeenkomst die is neergelegd in twee verschillende polissen in de zin zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn beslissing van 23 april 1997, nr. 31 139, gepubliceerd in BNB 1997/233. Veeleer is er sprake van een situatie waarbij de rechten en plichten zoals vastgelegd in de lijfrenteovereenkomst gedurende de eerste twaalf jaar weliswaar samenhangen met de rechten en plichten die voortvloeien uit de kapitaalverzekering maar vervolgens in de resterende jaren- als de kapitaalverzekering is afgewikkeld- zonder vooraf vastgesteld bestedingsdoel doorlopen tot aan het overlijden van eiser. Aan dit oordeel doet niet af dat gedurende de eerste twaalf jaar de lijfrente-uitkering gelijk is aan het verschuldigde premiebedrag van de kapitaalverzekering. Nu niet kan worden gesproken van een overeenkomst tussen eiser en de verzekeringsmaatschappij die had kunnen worden vastgelegd in één polis, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een complex van diverse wederzijdse rechten en plichten die naar hun aard, omvang en looptijd dermate verschillen dat partijen in redelijkheid ervoor konden kiezen om dit vast te leggen in afzonderlijke polissen.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond.


5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 322 en een wegingsfactor 1).


6. Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 60.630 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;
- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 8 november 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Vink, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. E.J.W. Heithuis in tegenwoordigheid van mr. U.A. Salomons, griffier.

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: AZ5325