Afkoopsom kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet in aangifte opgenomen. Navorderingsaanslag intact en boete van 50% passend en geboden! Sprake van voorwaardelijke opzet; geen sprake van verontschuldigbare rechtsdwaling en evenmin van onmacht

PROCES-VERBAAL RECHTBANK TE DEN HAAG
Belastingkamer : Eerste enkelvoudige
Zaaknummer : AWB 06/6593
Datum uitspraak : 26 oktober 2007
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting / AWR

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X te Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P].


De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 31 juli 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 68.928, alsmede tegen de beschikkingen waarbij aan eiser een vergrijpboete is opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht.

Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2007.
Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. C.P. Jonkers.


1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


2. Gronden

2.1. Bij brief van 3 oktober 2002 heeft de Postbank Levensverzekeringen N.V. (hierna: de Postbank) eiser medegedeeld "dat uw Postbank Koopsompolis met polisnummer [nummer] op 23 december 2002 de datum bereikt waarop het opgebouwde lijfrentekapitaal ter beschikking komt." In deze brief vermeldt de Postbank ook de mogelijkheid om het lijfrentekapitaal van 17.344 in één keer te ontvangen en maakt daarbij de aantekening dat over de uitkering ineens inkomstenbelasting verschuldigd is. Op 6 oktober 2002 heeft eiser de Postbank verzocht het vorengenoemde bedrag uit te keren. Bij brief van 11 oktober 2002 heeft de Postbank aan eiser bericht dat, aangezien de verzekering vrijkomt op 23 december 2002, het bedrag van 17.344 pas na die datum kan worden uitbetaald. Eiser heeft het bedrag op 17 januari 2003 ontvangen.
2.2. Eiser heeft in februari 2003 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2002. In de aangifte vermeldt hij een belastbaar inkomen uit werk en woning van 51.584. Eiser heeft in de aangifte geen gewag gemaakt van de uitkering van het onder 2.1. genoemde bedrag. Ook in de aangifte voor het jaar 2003 heeft hij de uitkering onvermeld gelaten. Verweerder is bij de vaststelling van de aanslag niet afgeweken van de aangifte.

2.3. Bij brief van 21 februari 2006 heeft verweerder aan eiser verzocht om informatie over de aangifte voor het jaar 2002. In de brief merkt verweerder onder meer het volgende op: "Volgens mijn gegevens heeft u een uitkering uit een verzekeringsovereenkomst met polisnummer [nummer] ontvangen. Ik constateer dat in de aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2002 geen bedrag of een ander bedrag is aangegeven dan het bedrag waarover de verzekeringsmaatschappij waarover de verzekeringsmaatschappij mij informeerde." Voorts stelt verweerder eiser in de brief vragen over de uitkering. Naar aanleiding van het antwoord van eiser op die vragen heeft verweerder de in geschil zijnde navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 68.928, met daarbij een vergrijpboete van 4.509 (50% van 9.019).

2.4. In geschil is of de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, welke vraag eiser ontkennend en verweerder bevestigend beantwoordt.

2.5.1. Eiser heeft voor zijn standpunt het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van voorwaardelijke opzet en kwade trouw. Aangezien eiser het bedrag van 17.344 op 17 januari 2003 ontving, ging hij er vanuit dat hij dit bedrag in de aangifte over het jaar 2003 moest vermelden. Hij heeft hieromtrent informatie ingewonnen bij de belastingtelefoon. De heer [A] van de belastingtelefoon heeft bevestigd dat het bedrag in de aangifte voor 2003 moest worden vermeld. In februari 2004 is eiser bij het doen van de aangifte over het jaar 2003 echter vergeten het bedrag van 17.344 te vermelden. Dit laat zich als volgt verklaren. Eiser is sinds augustus 2002 in therapie ter behandeling van de gevolgen van gebeurtenissen in de beroeps- en privésfeer. Eén van die gevolgen is dat hij vergeetachtig en verstrooid is. Het een en ander blijkt uit de door eiser overgelegde rapportage van zijn psychotherapeute. In februari 2004 heeft eiser van de Postbank geen bericht ontvangen om hem ten behoeve van het doen van aangifte te herinneren aan de uitkering in 2003.
2.5.2. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat het contact met de heer [A] van de belastingtelefoon heeft plaatsgevonden in 2006.

2.6. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd bestreden en daartoe het volgende aangevoerd. De boete is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Er is sprake van voorwaardelijk opzet. Ondanks de duidelijke mededeling over de belastbaarheid van de uitkering in de brief van de Postbank van 3 oktober 2002 heeft eiser de uitkering niet in de aangifte opgenomen. Eiser kan geen vertrouwen ontlenen aan informatie van de belastingtelefoon. Bovendien heeft eiser de uitkering, in weerwil van zijn opvatting dat de uitkering in 2003 belast is, niet in de aangifte voor dat jaar vermeld. Het aangiftegedrag van eiser voor de jaren 2002 en 2003 laat zien dat eiser in staat is zijn fiscale zaken te regelen; eiser heeft namelijk snel en volledig op één punt na over 2002 en 2003 aangifte gedaan. Eiser vermeldde in zijn aangifte voor het jaar 2003 wel de duidelijke toename van het banksaldo bij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als gevolg van het ontvangen kapitaal, maar vermeldde niet de uitkering bij het inkomen uit werk en woning. Verweerder vindt de verklaring van de psychotherapeute van eiser niet van belang.

2.7. Krachtens artikel 67e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) vormt, indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderings-aanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de boetegrondslag. In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998), heeft de Staatssecretaris van Financiën beleidsregels vastgesteld inzake het gebruik van de zo-even vermelde bevoegdheid. In § 25, derde lid, van het BBBB 1998 is bepaald dat in geval van opzet een vergrijpboete van 50 percent van de boetegrondslag wordt opgelegd. Onder opzet is te verstaan het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet, of niet binnen de daarvoor gestelde termijn betalen van belasting. Tevens wordt onder opzet begrepen het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet tijdig betaald is (voorwaardelijk opzet). Indien, zoals te dezen, in geschil is of eiser (voorwaardelijk) opzet valt te verwijten, dient verweerder het (voorwaardelijk) opzet te bewijzen.

2.8. In de aankondiging van de vergrijpboete is bij vergissing verwezen naar artikel 67d van de Awr dat de vergrijpboete bij de primitieve aanslag regelt. Nu er in dit geval sprake is van een navorderingsaanslag en gesteld noch gebleken is dat eiser door de vermelding van artikel 67d in plaats van artikel 67e van de Awr niet heeft begrepen dat hem een vergrijpboete als bedoeld in artikel 67e van de Awr werd opgelegd, gaat de rechtbank aan de vergissing in de aankondiging voorbij.

2.9. Niet in geschil is dat de uitkering van de Postbank tot eisers belastbare inkomen uit werk en woning van het jaar 2002 behoort. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd heeft hij naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser, door de uitkering noch in de aangifte van 2002, noch in de aangifte van 2003 te vermelden, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat van hem te weinig belasting zou worden geheven. Mitsdien is er sprake van voorwaardelijk opzet en heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 67e van de Awr en § 25 van het BBBB 1998, ertoe kunnen besluiten een vergrijp-boete van 50 percent van de boetegrondslag op te leggen.

2.10. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank vat de stelling van eiser dat hij, toen hij voor het jaar 2002 aangifte deed, meende dat de uitkering in 2003 belast was, op als strekkende ten betoge dat eiser heeft gedwaald omtrent de inhoud en de toepassing van het recht. Rechtsdwaling kan aan verwijtbaarheid - in casu voorwaardelijk opzet - in de weg staan. Dat is het geval wanneer de betrokkene een onjuist inzicht heeft in de ongeoorloofdheid van zijn gedrag. Verontschuldigbare rechtsdwaling veronderstelt voorts het doen van inspanningen om op de hoogte te komen van de inhoud en toepassing van de rechtsregels met betrekking waartoe gedwaald wordt. De rechtsdwaling moet berusten op het advies of het gedrag van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt te toe te kennen dat de betrok-kene in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies of het gedrag mocht vertrouwen. Eiser zegt dat hij handelde op gezag van de heer [A] van de belastingtelefoon. Nu, zoals vermeld onder 2.5.2., dit contact eerst heeft plaatsgevonden in het jaar 2006, dus ruime tijd na het indienen van de aangifte over het jaar 2002, is naar het oordeel van de rechtbank reeds om die reden niet voldaan aan de voorwaarden van een verontschuldigbare rechtsdwaling.

2.11. Het aangiftegedrag van eiser voor 2003 staat strikt genomen buiten de rechtsstrijd over de vergrijpboete voor het jaar 2002. Omdat dit aangiftegedrag niettemin licht kan werpen op de mate van verwijtbaarheid van het niet-aangeven van de uitkering voor het jaar 2002, heeft de rechtbank het toch in haar onder 2.9. gegeven oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet, betrokken. Hierbij neemt de rechtbank nog het volgende in aanmerking. Eiser beroept zich in dit verband op vergeetachtigheid/vermoeidheid als gevolg van zijn psychische gesteldheid, onder meer veroorzaakt door, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, het overlijden van zijn broer. De rechtbank vat dit op als een beroep op onmacht. Daarvoor is onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank nodig dat bij eiser, toen hij zijn aangifte voor het jaar 2003 deed, ieder inzicht in de draagwijdte van hetgeen hij daarin vermeldde en de mogelijke gevolgen die dat zou hebben, ontbrak (vergelijk Hoge Raad 14 december 2004, nr. 01023/04, LJN AR 3226). Uit hetgeen eiser dienaangaande heeft aangevoerd, waaronder de onder 2.5.1. genoemde rapportage van zijn psychotherapeute, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eiser geen enkel inzicht in de draagwijdte en de gevolgen van zijn handelen had. Derhalve is van onmacht geen sprake.

2.12. Gelet op de ernst van de beboetbare gedraging en de absolute en relatieve omvang van het als gevolg van die gedraging aanvankelijk niet in de belastingheffing betrokken bedrag, acht de rechtbank de door verweerder opgelegde boete passend en geboden.

2.13. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 26 oktober 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier.

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: BC3964