Afkoopsom kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet in aangifte opgenomen. Geen sprake van nieuw feit en 'slechts' sprake van grove schuld; navorderingsaanslag komt te vervallen

UITSPRAAK RECHTBANK TE HAARLEM
Belastingkamer : Eerste enkelvoudige
Zaaknummer : AWB 07/242
Datum uitspraak : 1 november 2007
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting / AWR

UITSPRAAK

als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder


1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 18 juli 2006 aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 14.966.

Na daartegen gemaakt bezwaar op 25 augustus 2006 heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 6 november 2006 de navorderingsaanslag gehandhaafd. Tegen deze uitspraak is door eiseres een beroepschrift ingediend dat door de rechtbank op 8 december 2006 is ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007 te Haarlem. Eiser is daar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.


2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1 Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.2 Eiser is gehuwd en firmant van v.o.f. B. De andere firmant is zijn echtgenote mevrouw C. Zij exploiteren een bedrijf in schapenteelt.

2.3 Eiser heeft met ingang van 31 december 1991 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten, welke op 31 december 2003 expireerde en door eiser is afgekocht. De afkoopsom bedroeg 10.851.

2.4. Eiser heeft zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 ingediend. Ter zake van de hiervoor onder 2.3 vermelde afkoop heeft eiser niets in zijn aangifte opgenomen.

2.5 Naar aanleiding van de ontvangst van de aangifte heeft verweerder bij brief van 11 april 2006 vragen gesteld aan eiser.

2.6. Bij brieven van 20 juni 2006 en 3 mei 2006 kondigt verweerder vervolgens aan eiser aan dat ten aanzien van de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2003 een correctie van 10.851 zal plaats vinden vanwege het ten onrechte achterwege laten in de aangifte van de afkoopsom van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning is als volgt vastgesteld:

aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning 4.115
bij: afkoop kapitaalverzekering met lijfrenteclausule 10.851

vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning 14.966

Bij de vastgestelde navorderingsaanslag is tevens een vergrijpboete van 50% opgelegd in verband met het opzettelijk doen van een onjuiste of onvolledige aangifte.


3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of sprake is van kwade trouw als gevolg waarvan navordering en het opleggen van een vergrijpboete mogelijk is.


4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna:Awr) bepaalt dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is

4.2 Niet in geschil tussen partijen is dat eiser het uitgekeerde bedrag niet in zijn aangifte had opgenomen. Tevens is niet in geschil dat de aangifte door verweerder op 6 april 2005 handmatig is geregeld, waarbij hij bij de afhandeling reeds vanaf 16 maart 2004 de beschikking had over een renseignement van de verzekeringsmaatschappij met betrekking tot de genoemde afkoopsom. Hieruit leidt de rechtbank af dat de in voornoemde stukken opgenomen informatie verweerder bekend was, althans redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Zoals verweerder ook in zijn verweerschrift aangeeft is derhalve geen sprake van een nieuw feit.

4.3 Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat sprake is van een omissie van de behandelend ambtenaar. Dit brengt mee dat navordering slechts mogelijk is in het geval eiser te kwader trouw heeft gehandeld. Van kwade trouw is sprake indien eiser opzettelijk onjuiste aangifte deed of zich willens en wetens blootstelde aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen, als gevolg waarvan de aanslag te laag is vastgesteld.
Vaststaat dat eiser dan wel zijn administrateur heeft verzuimd om alle fiscaal relevante informatie te verwerken in de onderhavige aangifte. Hoewel onder de gebleken omstandigheden zeker sprake is van een zodanige slordigheid, als gevolg waarvan sprake is van grove schuld aan de zijde van eiser acht de rechtbank op basis van hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard, de voor navordering vereiste kwade trouw echter niet aannemelijk. Niet is aangetoond dat bij eiser of diens administrateur sprake is geweest van het bewust aanvaarden van een risico dat te weinig belasting zou worden geheven.

4.4. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag inclusief de boete ten onrechte is opgelegd. Het beroep zal derhalve gegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht de rechtbank termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser als bedoeld in artikel 8:75 Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen daarvoor in aanmerking eisers reiskosten van het openbaar vervoer die eiser heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen ad 25.

6. Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van 25;
gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van 38 vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan op 1 november 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. H.A.M. Röell-Mulder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. O.C.H.C. Pilet, griffier.

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: BC3833