Schuld wegens toekomstige alimentatiebetalingen aan de gewezen echtgenoot leidt tot aftrek in box 3

UITSPRAAK BELASTINGKAMER RECHTBANK TE BREDA
Belastingkamer : Eerste enkelvoudige
Zaaknummer : AWB 08/5017
Datum uitspraak : 11 december 2009
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting
 
Conclusie A-G : Klik hier voor de conclusie
Zaaknummer : 10/00367
Datum arrest : 20 september 2010
 
Arrest Hoge Raad : Klik hier voor het arrest
Zaaknummer : 10/00367
Datum : 11 februari 2011

UITSPRAAK

als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [eiser], wonende te [plaatsnaam], eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven, verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 63.918 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 23.833.

1.2.De inspecteur heeft belanghebbendes bezwaar bij de uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 27 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 31 oktober 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van 39.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd. De inspecteur heeft vóór de zitting een nadere stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009 te Tilburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam]. De gemachtigde van belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten
Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:
2.1.Belanghebbende is gescheiden en heeft twee kinderen. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een bedrag van 19.442 aan alimentatie betaald aan zijn voormalige echtgenote.

2.2.De door hem in 2006 betaalde alimentatie heeft belanghebbende als persoonsgebonden aftrek in mindering gebracht op zijn inkomen uit werk en woning over dat jaar. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het bedrag van 19.442 als persoonsgebonden aftrek in aftrek toegelaten.

2.3.In bezwaar heeft belanghebbende verzocht de waarde van de verplichting tot het betalen van deze alimentatie (hierna: de alimentatieverplichting) in mindering te brengen op de rendementsgrondslag ter bepaling van zijn inkomen uit sparen en beleggen.

2.4.Bij uitspraak op bezwaar van 6 oktober 2008 heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Op 7 oktober 2008 heeft de inspecteur wederom uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbendes bezwaar is daarbij ontvankelijk verklaard en de aanslag is gehandhaafd.

3.Geschil
3.1.De enige nog in geschil zijnde vraag is of de alimentatieverplichting als een schuld in de zin van artikel 5.3, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) kan worden aangemerkt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zitting hieraan is toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 63.918 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 22.893. De inspecteur concludeert, naar de rechtbank verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en handhaving van de aanslag.

4.Beoordeling van het geschil
4.1.Niet in geschil is dat belanghebbendes bezwaar ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank acht dit standpunt juist. Nu een tweede uitspraak op bezwaar in fiscale zaken niet mogelijk is, gaat de rechtbank aan die tweede uitspraak voorbij. Het beroep is daarom gegrond.

4.2.Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, van de Wet is de rendementsgrondslag de waarde van de bezittingen verminderd met de schulden. Volgens artikel 5.3, derde lid, van de Wet zijn schulden verplichtingen met waarde in het economische verkeer.

4.3.Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank acht dat juist, dat de alimentatieverplichting een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting is. Afdeling 5.1 van de Wet maakt geen onderscheid tussen verplichtingen die voortvloeien uit het vermogensrecht enerzijds en verplichtingen die voortvloeien uit het familierecht anderzijds. Evenmin worden al dan niet bepaalde verplichtingen voortvloeiend uit het familierecht in die afdeling uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat in dat geval beide soorten verplichtingen moeten worden begrepen onder het begrip "verplichtingen" als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van de Wet. De omstandigheid dat een verplichting voortvloeit uit het familierecht staat er daarom niet aan in de weg die verplichting aan te merken als schuld in de zin van genoemd artikel 5.3, derde lid. Nu de wettekst duidelijk is en de wetsgeschiedenis van deze afdeling wijst op een ruime uitleg van de gehanteerde begrippen, kan die wetsgeschiedenis niet leiden tot een andere uitleg van het begrip "verplichtingen" dan hiervoor is gegeven.
De rechtbank kent hierbij geen betekenis toe aan het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1926, B nummer 3799. Dit arrest is gewezen onder de systematiek en de heffingsgrondslag van de Wet op de vermogensbelasting 1892. De systematiek en heffingsgrondslag van die wet komen onvoldoende overeen met die van de Wet om aan het arrest in het onderhavige geval betekenis toe te kennen.

4.4.De alimentatieverplichting is een verplichting om periodiek een geldbedrag te betalen. Deze verplichting kan worden afgekocht dan wel worden ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij. De rechtbank is van oordeel dat die verplichting dan waarde in het economische verkeer heeft in de zin van artikel 5.3, derde lid van de Wet. De omstandigheden dat het een verplichting betreft van een bepaalde persoon en dat die verplichting voortvloeit uit het familierecht, doen daar niet aan af. Evenmin doet daar aan af dat het in de meeste gevallen moeilijk zal zijn een waarde te bepalen aangezien de periodieke betalingsverplichting in de loop van de tijd kan wijzigen.

4.5.Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de alimentatieverplichting voor belanghebbende als schuldenaar een verplichting vormt met een waarde in het economische verkeer die als een schuld in de zin van artikel 5.3, derde lid, van de Wet is aan te merken en als zodanig in beginsel een bestanddeel vormt van de rendementsgrondslag. Tussen partijen is niet meer in geschil, en de rechtbank acht dit gezien het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2009, nr. 07/12914, V-N 2009/11.10, juist, dat het bepaalde in artikel 2.14, lid 1, van de Wet er niet aan in de weg staat deze verplichting aan te merken als een schuld in de zin van artikel 5.3 van de Wet.
De inspecteur heeft tegenover de betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat tegenover de alimentatieverplichting enig daarmee samenhangende zaak of recht als bezitting bij belanghebbende in aanmerking moet worden genomen. De mogelijkheid inkomen te generen is als zodanig geen bezitting in de zin van artikel 5.3, tweede lid, van de Wet. Een mogelijke toename daarvan is dan evenmin een bezitting in vorenstaande zin.
Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat voor het in aanmerking nemen van een alimentatieplicht in bovenstaande zin niet relevant is of het recht op alimentatie bij de alimentatiegerechtigde al dan niet als een bezitting in de zin van artikel 5.3, tweede lid, van de Wet, in aanmerking moet worden genomen.

4.6.Nu het gelijk aan belanghebbende is moet worden beslist als hierna is vermeld.

5.Proceskosten
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van 322 en een wegingsfactor 1).

6.Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 63.918 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 22.893;
-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van 805;
-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van 39 aan deze vergoedt.


Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. M.J. van Balkom, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: BK8074