Uitkeringen uit kapitaalverzekeringen op grond van vertrouwensbeginsel niet belast in box 1 maar in box 3

UITSPRAAK BELASTINGKAMER RECHTBANK TE DEN HAAG
Belastingkamer : Eerste enkelvoudige
Zaaknummer : AWB 10/4405
Datum uitspraak : 2 maart 2011
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 17 mei 2010 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2006 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 114.408 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 5.321 (aanslagnummer [nummer] hierna: de aanslag).

I ZITTING
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2011. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [A]. Namens verweerder is verschenen [B].

II BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-vermindert de belastingaanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 65.265 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van 5.321.
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder de proceskosten tot een bedrag van 874 aan eiser te voldoen;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van 41 aan hem vergoedt.

III OVERWEGINGEN

Feiten

3.1 Eiser heeft in 1983, 1984 en 1985 bij [de verzekeraar] (hierna: de verzekeraar) drie kapitaalverzekeringen afgesloten. Hij heeft daarvoor koopsommen (hierna: de koopsommen) gestort van respectievelijk f 12.000 ( 5.445), f 7.000 ( 3.176) en f 9.678 ( 4.392). In de aangiften IB/PVV voor de genoemde jaren heeft eiser de koopsommen niet in aftrek gebracht op het belastbare inkomen.

3.2 Op het polisblad van de in 1984 en 1985 afgesloten kapitaalverzekeringen is een zogeheten lijfenteclausule opgenomen. Op het polisblad van de in 1983 afgesloten kapitaalverzekering ontbreekt een dergelijke clausule.

3.3 In 2006 zijn de drie polissen geëxpireerd. De lijfrenteclausules van de polissen van de in 1984 en 1985 afgesloten kapitaalverzekeringen zijn daarbij niet ten uitvoer gebracht. Eiser heeft uit de drie verzekeringen uitkeringen ontvangen tot een totaal bedrag van 62.158 (hierna: de uitkeringen).

3.4 In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2006 heeft eiser geen melding gemaakt van de uitkeringen.

3.5 Bij de aanslagregeling heeft verweerder, in afwijking van de aangifte, het saldo van de uitkeringen en de koopsommen ad 49.143 in de heffing betrokken.

3.6 Eiser heeft bij brief van 9 december 2009 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
In antwoord op vragen van verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft de rechtsopvolger van de verzekeraar bij brief van 19 april 2010 bericht dat de drie verzekeringen zijn aan te merken als 'kapitaalverzekering met lijfrenteclausule'.
Bij uitspraak op bezwaar van 17 mei 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Geschil

3.7 In geschil is of de het saldo van de uitkeringen en de koopsommen in de heffing dient te worden betrokken. Eiser neemt het standpunt in dat de uitkeringen niet belast zijn omdat de lijfrenteclausule op de polissen optioneel is dan wel ontbreekt. Voorts heeft verweerder volgens eiser het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de uitkeringen niet behoren tot het inkomen uit werk en woning, doch uitsluitend tot de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001). Verweerder heeft de standpunten van eiser gemotiveerd bestreden.

Beoordeling van het geschil

Kwalificatie van de (netto-)uitkering
3.8 Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat geen van de drie kapitaalverzekeringen een (dwingende) lijfrenteclausule bevat, dient naar het oordeel van de rechtbank het saldo van de uitkeringen en de koopsommen tot het belastbare inkomen uit werk en woning te worden gerekend. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

3.9.1 Artikel AL, Kapitaalverzekeringen die via box I worden afgewikkeld, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Invoeringswet), luidt, voor zover hier van belang:
1. Voor de bepaling van het inkomen uit een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering waarbij een kapitaal is verzekerd, blijven de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing zoals die luidden op 31 december 2000. De eerste volzin is niet van toepassing indien:
(...)
c. de levensverzekering voldoet aan het bepaalde in artikel 76 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waardoor de rente begrepen in een kapitaalsuitkering niet tot de inkomsten uit vermogen in de zin van die wet behoort, (...)
(...)
2. De rente begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering die volgens de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen tot de inkomsten behoort, wordt voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 aangemerkt als inkomen uit werk en woning.
3. (...)
3.9.2. Artikel 76 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) luidt, voor zover hier van belang:
Rente begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering die ingevolge de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 (...) niet tot de inkomsten uit vermogen zou zijn gerekend, wordt ook na die datum niet tot de inkomsten uit vermogen gerekend, mits de kapitaalsuitkering wordt genoten krachtens een op 31 december 1991 bestaande overeenkomst waarvan nadien het verzekerde kapitaal niet is verhoogd.
3.9.3. Artikel 25, eerste lid, van de Wet IB 1964, in de op 31 december 1991 geldende tekst, luidt, voor zover hier van belang:
1. Tot de inkomsten uit vermogen behoren:
a. (...)
b. (...)
c. rente begrepen in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering, tenzij de uitkering plaatsvindt nadat ter zake van de verzekering gedurende ten minste twaalf jaren jaarlijks premies zijn voldaan en tevens tot het tijdstip van de uitkering de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het vijfvoud, het tienvoud, het vijftienvoud, dan wel het twintigvoud van de laagste premie bij een looptijd van de verzekering op dat tijdstip van onderscheidenlijk niet meer dan vijftien jaren, niet meer dan twintig jaren, niet meer dan dertig jaren, dan wel meer dan dertig jaren;
(...)
3.9.4. Artikel 25, lid 5, van de Wet IB 1964, luidt:
De rente begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering wordt gesteld op het bedrag waarmee de uitkering overtreft hetgeen ter zake van de verzekering aan premies is voldaan, voor zover die premies niet in aanmerking zijn gekomen bij een eerdere uitkering door de verzekeraar.

3.10 Ter zake van de door eiser in 1983, 1984 en 1985 gesloten kapitaalverzekeringen zijn eenmalige koopsommen gestort, zodat niet is voldaan aan de in artikel 25, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 1964, in de op 31 december 1990 geldende tekst, gestelde voorwaarde van jaarlijkse premiebetaling gedurende tenminste twaalf jaren. Derhalve behoort de in de uitkeringen begrepen rente tot de inkomsten uit vermogen in de zin van de Wet IB 1964. Deze rente wordt ingevolge artikel 25, lid 5, van de Wet IB 1964 gesteld op het bedrag waarmee de uitkering overtreft hetgeen ter zake van de verzekering aan premies is voldaan. Ingevolge artikel AL, tweede lid, van de Invoeringswet moet de aldus berekende rente voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden gerekend tot het belastbare inkomen uit werk en woning.

3.11 Gelet op hetgeen onder 3.10 is overwogen, heeft verweerder het bedrag waarmee de uitkeringen de koopsommen overtreffen, terecht tot de inkomsten uit werk en woning gerekend. De beroepgronden van eiser falen in zoverre.

Vertrouwensbeginsel
3.12 Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV aan de partner van eiser voor het jaar 2002 de aangifte gecorrigeerd en, evenals hij bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor de jaren 2006 aan eiser heeft gedaan, de uitkering die de partner van eiser in 2002 heeft ontvangen uit een door eiser in 1986 afgesloten kapitaalverzekering, tot het inkomen uit werk en woning van eisers partner gerekend. De polis van deze kapitaalverzekering bevat, naar eiser onweersproken heeft gesteld, dezelfde lijfrenteclausule als die welke op de polisbladen van de door eiser in 1984 en 1985 gesloten kapitaalverzekeringen voorkomt. Naar aanleiding van het bezwaar van de partner van eiser heeft verweerder de zo-even bedoelde correctie laten vervallen en ermee volstaan de uitkering uit de verzekering tot de rendementsgrondslag van de partner van eiser te rekenen. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij hieraan het in rechte te beschermen vertrouwen heeft mogen ontlenen dat ter zake van de uitkeringen niets tot zijn inkomen uit werk en woning zou worden gerekend.

3.12 Verweerder bestrijdt dat sprake is van in rechte te honoreren vertrouwen. Hij voert daartoe aan dat het handelen van de fiscus, waaraan eiser zegt vertrouwen te kunnen ontlenen, niet de fiscale aangelegenheden van eiser, maar die van zijn partner betreft.

3.13 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aan de wijze waarop verweerder het bezwaar van eisers partner tegen de aanslag 2002 heeft afgehandeld, het in rechte te honoreren vertrouwen mogen ontlenen dat zijn visie op de fiscale behandeling van de uitkeringen juist was en door de fiscus zou worden gevolgd. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

3.14 Op de als bijlage 17 bij het beroepschrift overgelegde "nota van aanslagregeling" is aangetekend:
"Opbrengst kapitaalverzekering is inderdaad in box 3 aangegeven en moet niet in box 1 worden [C], 16-02-2005)".
Niet in geschil is dat [C] namens verweerder het bezwaar van de partner van eiser heeft behandeld en een uitlating met de inhoud van de aantekening op de nota van aanslagregeling heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit van een welbewuste standpuntbepaling van verweerder over de wijze waarop uitkeringen als de onderhavige in de belastingheffing moeten worden betrokken.

3.15 Het overgangsrecht inzake kapitaalverzekeringen is verre van eenvoudig. Dit geldt zeker voor kapitaalverzekeringen die dateren van voor de zogeheten 'Brede Herwaardering' omdat daarop niet alleen het overgangsrecht van de Brede Herwaardering maar ook het overgangsrecht bij de invoering van de Wet IB 2001 van toepassing is. Als regelgeving ingewikkeld is, krijgen uitlatingen van namens verweerder optredende ambtenaren over de toepassing van het recht extra gewicht omdat die uitlatingen door de belastingplichtige, die er kennis van neemt, worden opgevat en redelijkerwijs ook mogen worden opgevat als een betrouwbare verduidelijking van wat rechtens geldt.

3.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het bij eiser gewekte vertrouwen voorts niet zozeer in strijd met een juiste wetstoepassing dat eiser redelijkerwijs de onjuistheid ervan had kunnen en moeten beseffen.

3.17 De omstandigheid dat het vertrouwen is gewekt bij de afhandeling van het bezwaar tegen de voor het jaar 2002 aan de partner van eiser opgelegde aanslag, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij de aangiften van zijn partner verzorgt, evenals de correspondentie en de contacten met de fiscus over de fiscale aangelegenheden van zijn partner, voor, bij en na de aangifte. Dit gold ook voor de aangifte van zijn partner voor 2002 en het tegen de daarop volgende aanslag gemaakte bezwaar. De onder 3.14 geciteerde uitlating is dan ook in het verkeer tussen eiser en de fiscus gedaan. Eiser had geen reden om aan te nemen dat de uitlating uitsluitend de uitkering op de kapitaalverzekering van zijn partner betrof en niet evenzeer gold voor de uitkeringen die hij op gelijksoortige kapitaalverzekeringen zou ontvangen. Voorts is de partner van een belastingplichtige, hoewel strikt genomen een derde in de relatie van de belastingplichtige tot de fiscus, een bijzondere derde, waarvan de fiscale aangelegenheden juridisch en feitelijk met de fiscale aangelegenheden van de belastingplichtige verweven zijn. Het aanbrengen en handhaven van een cesuur tussen de behandeling van de fiscale aangelegenheden van de partner en de behandeling van de fiscale aangelegenheden van de belastingplichtige, waardoor uitlatingen van de fiscus niet over deze cesuur heen vertrouwen zouden kunnen wekken, doet de hiervoor geschetste feitelijke verhoudingen geweld aan.

3.18 Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt.

Slotsom
3.19 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient te worden beslist zoals onder II is vermeld.

Proceskosten

3.20 De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 437 en een wegingsfactor 1).

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.J.M. Reniers.

De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: BQ0609