.

Fiscale Site Leven - NIEUWS

5 juni 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand zijn de volgende vakbijdragen gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

4 juni 2019
Op 29 mei 2019 is de Fiscale beleidsagenda 2019 bekend gemaakt. Daarin is een voornemen opgenomen met betrekking tot de in onderdeel Q, lid 2 Invoeringswet Wet IB 2001 opgenomen afrekenverplichting per 1 januari 2021 voor (saldo)lijfrenten. Dit vereenvoudigingsvoorstel betreft de continuering van het overgangsrecht voor zogenoemde 'hybride' lijfrenten van vóór 2001. In het pakket Belastingplan 2020 zal in dit kader worden voorgesteld om voor dergelijke lijfrenten het overgangsrecht dat in onderdeel O Invoeringswet Wet IB 2001 is opgenomen, niet te beëindigen en tevens de afrekenverplichting af te schaffen. Lees daarover meer in het betreffende document dat vandaag op deze website is geplaatst.
Het document is direct te downloaden via de wetsvoorstellenpagina van deze site.

Bron: https://www.rijksoverheid.nl/documenten

31 mei 2019
Vandaag is het geactualiseerde verzamelbesluit lijfrenten van 16 mei 2019, nr. 115021 (Stcrt 2019, 30558), in de Staatscourant gepubliceerd. Het laatste grote verzamelbesluit lijfrenten dateerde uit 2012. De hoogste tijd voor een flinke actualisatieronde. Het lijfrentebesluit was nog niet toegespitst op de per 1 januari 2017 geïntroduceerde lijfrentebeleggingsrekening en ook niet ingericht op de in 2013 ingevoerde flexibele AOW-leeftijd. Bovendien waren er enkele losse lijfrentebesluiten uitgebracht. Nu zijn alle relevante beleidsmatige lijfrentezaken weer op overzichtelijke wijze bijeen gebracht, in geactualiseerde vorm! Het nieuwe lijfrentebesluit van 16 mei 2019, nr. 2019-115021, bevat een aantal nieuwe beleidsstandpunten en zit boordevol goedkeuringen.
Het geactualiseerde beleidsbesluit is direct te downloaden via de besluitenpagina IB niet-winst van deze site.

Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/

17 mei 2019
Op 19 april 2019 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan (BK 18/00826) in een zaak waarbij in geschil was of de uitkeringen uit een periodiek uitkerende arbeidsongeschiktheidsverzekering terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning in box 1 zijn gerekend. Daarbij ging het om het volgende. X heeft in 2003 een zogenoemde Woonlasten Opvang Polis (een arbeidsongeschiktheidsverzekering) gesloten. Vanaf februari 2011 ontvangt X maandelijks een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het hof leidt uit de polis en de polisvoorwaarden af dat een periodieke uitkering is verzekerd. De op de polis gehanteerde clausule komt qua formulering overeen met de tekst van clausule A zoals beschreven in paragraaf 3.2.2 van het lijfrentebesluit van 13 juni 2012, BLKB2012/283M. Dat de polis en de bijbehorende polisvoorwaarden niet uitdrukkelijk vermelden dat de premie aftrekbaar en de uitkering belast is, maakt niet dat de verzekering moet worden aangemerkt als een kapitaalverzekering. Dat X destijds beoogde en veronderstelde een kapitaalverzekering af te sluiten, is een aangelegenheid tussen hem en de verzekeringsmaatschappij (dan wel de tussenpersoon). Hier staat de inspecteur buiten. Op grond van artikel 3.100, lid 1, onderdeel b, en artikel 3.124, lid 1, onderdeel c Wet IB 2001 zijn de uitkeringen terecht tot het box 1-inkomen gerekend. Dat de premies voor de verzekering niet in de aangiften IB/PVV in aftrek zijn gebracht maakt dit niet anders. Sinds de inwerkingtreding van Belastingplan 2009 op 1 januari 2009 geldt immers dat een verzekeringsproduct waarvoor op basis van de vormgeving recht op premieaftrek bestaat, geheel tot het box 1-inkomen behoort. De voordien bestaande keuze om de uitkering (deels) in box 3 te laten vallen door de premies (gedeeltelijk) niet in aftrek te brengen, is daarmee vervallen. Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van X ongegrond. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De uitspraak is op 7 mei 2019 gepubliceerd.
De volledige uitspraak is direct te downloaden vande rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

13 mei 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand is de volgende vakbijdrage gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

2 mei 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand zijn de volgende vakbijdragen gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

30 april 2019
Op 6 maart 2019 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan (kenmerk BRE 17/5920) in een zaak waarbij in geschil was of bij de afkoop van een lijfrente terecht revisierente in rekening is gebracht. Belanghebbende X heeft in 1994 (Brede Herwaarderingsregime) een lijfrenteverzekering afgesloten. Daarbij heeft zij een eenmalige premie gestort van € 7.284. Dit bedrag is ten laste van belanghebbendes belastbare inkomen gebracht. In januari 2015 is de lijfrente geëxpireerd. De waarde daarvan in het economische verkeer bedroeg op dat moment € 18.677. X heeft ervoor gekozen om het opgebouwde bedrag ineens uit te laten keren (afkoop), in plaats van periodieke uitkeringen. De verzekeraar heeft bij de uitkering een bedrag van € 9.791 aan loonheffing ingehouden op de afkoopsom. In de aangifte IB/PVV over 2015 heeft X genoemde afkoop van de lijfrente aangegeven. Ter zake daarvan is bij het opleggen van de betreffende aanslag € 3.765 aan revisierente in rekening gebracht. In zijn oordeel stelt de rechtbank voorop dat de revisierente in rekening wordt gebracht omdat X onterecht in het verleden premieaftrek heeft genoten, aangezien, door de wijze waarop de lijfrente is afgewikkeld, niet is voldaan aan de voorwaarden die golden voor die aftrek. De door X gestelde omstandigheid dat, indien zij niet tot afkoop zou zijn overgegaan, door haar pas belasting verschuldigd zou zijn geworden in de jaren waarin op grond van de lijfrenteverzekering uitkeringen zouden worden genoten, doet aan de ratio van de wettelijke revisierenteregeling niet af. De revisierente grijpt niet aan bij het verschil tussen heffing ineens over een afkoopsom en heffing in de loop der tijd over periodieke uitkeringen, maar redresseert de omstandigheid dat in het verleden ten onrechte premieaftrek is genoten. Ook de omstandigheid dat door X in economische zin nu geen positief rendement wordt behaald, doet volgens de rechtbank niet af aan het ingevolge de AWR verschuldigd zijn van de revisierente. Toepassing van de wet is naar de letter volgens de rechtbank in casu in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak is op 19 april 2019 gepubliceerd.
De volledige uitspraak is direct te downloaden vande rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

17 april 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand is de volgende vakbijdrage gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

2 april 2019
Op maandag 1 april 2019 is het geactualiseerde beleidsbesluit 'Waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten' gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 2019-6904). Dit besluit is een actualisering van het besluit van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M (Stcrt. 2008, 133). De aanpassingen betreffen met name verwijzingen naar nieuwe wetgeving. De overige aanpassingen zijn redactioneel, zonder dat een inhoudelijke wijziging is beoogd. Redactioneel het meest gewijzigd is het volgende:
- de indeling van hoofdstuk A is voor de leesbaarheid aangepast;
- onderdeel A.2.3. (oud) is komen te vervallen vanwege het beperkte praktische belang;
- onderdeel B.6. inzake de waardering van een pensioenverplichting bij een stelselwijziging als gevolg van een verbreking van een fiscale eenheid is ter verduidelijking herschreven.

Het geactualiseerde beleidsbesluit is direct te downloaden via de besluitenpagina IB 2001 staking/winst van deze site.

Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/

23 maart 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand zijn de volgende vakbijdragen gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

22 maart 2019
Begin maart 2019 is op www.belastingdienst.nl een nieuwe versie gepubliceerd van het document 'Verdragsstaten IB Niet-ingezetenen’ (versie januari 2019). Dit document bevat een overzicht waarin per door Nederland met een ander land gesloten belastingverdrag (ter voorkoming van dubbele heffing) is aangegeven aan welk land het heffingsrecht ter zake van een bepaalde inkomsten(bron) is toegewezen een en ander bekeken vanuit een buitenlands belastingplichtige die inkomsten ontvangt uit een Nederlandse bron. Dit overzicht is onder meer van belang bij de internationale aspecten inzake periodieke lijfrente-uitkeringen en afkoopsommen van lijfrenten. Zie hiervoor onder andere paragraaf 3 van het document.
Het document is direct te downloaden van de internationaalpagina
van deze website!

Bron: www.belastingdienst.nl

19 maart 2019
Op 8 maart 2019 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (nr. 17/005027) in een zaak waarin de A-G van de Hoge Raad op 29 november 2018 reeds een conclusie heeft genomen. In deze zaak was aan de orde of de tot 1 januari 2014 geldende loonstamrechtvrijstelling zoals destijds was opgenomen in artikel 11, lid 1, onderdeel g Wet LB 1964 (tekst 2013) van toepassing is op een in 2014 toegekende schadevergoeding wegens kennelijk inredelijk ontslag. In zijn uitspraak van 14 september 2017 (BK 16/03482) oordeelde het Gerechtshof Den Bosch dat uit de betreffende wettekst volgt dat de loonstamrechtvrijstelling alleen in geval de schadevergoeding is genoten voor het vervallen van de stamrechtvrijstelling op 1 januari 2014, zelfstandig op de schadevergoeding van toepassing kan zijn. Het hof heeft geoordeeld dat de schadevergoeding niet rentedragend in de zin van artikel 13a Wet LB 1964 is als de rente pas tegelijk met de vordering komt vast te staan en ook pas dan vorderbaar en inbaar wordt. Naar het oordeel van het hof is ook overigens geen genietingsmoment in 2013 aan te wijzen. Dit betekent volgens het hof dat bedoelde loonstamrechtvrijstelling slechts van toepassing kan zijn op grond van de overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964. Het hof heeft overwogen dat de belanghebbende in kwestie op 31 december 2013 nog geen aanspraak had op het bedrag van de schadevergoeding zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 39f, lid 1, Wet LB 1964 dat sprake moet zijn van een op 31 december 2013 bestaande en bepaalbare aanspraak. Het hof oordeelde vervolgens dat die overgangsregeling niet in strijd is met artikel 14 EVRM. Het hof heeft belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen. In navolging van de conclusie van A-G Niessen is de Hoge Raad van mening dat terecht is geoordeeld dat de schadevergoeding niet rentedragend in de zin van artikel 13a Wet LB 1964 is geworden op het moment dat de wettelijke rente verschuldigd is. De overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964 is niet van toepassing op de door belanghebbende ontvangen schadevergoeding omdat de aanspraak op periodiek uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon op 31 december 2013 niet voldoende bepaald of bepaalbaar was. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is op 8 maart 2019 gepubliceerd.
Het arrest is direct te downloaden van de rechtspraakpagina Loonbelasting van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

16 maart 2019
Op 9 november 2018 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak (AWB 16/8490) waarbij in geschil was of door de uitkerende verzekeraar terecht loonheffing is ingehouden op de uitkeringen uit een loonstamrecht. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de aan de uitkeringen van de verzekeraar ten grondslag liggende ontslagvergoeding kwalificeert als inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid als bedoeld in artikel 10 van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland (het verdrag) of als pensioen als bedoeld in artikel 12 van het verdrag. Met andere woorden, het is de vraag of het heffingsrecht over de uitkeringen is toegewezen aan Nederland of niet. In de zaak speelde het volgende. Belanghebbende heeft na zijn ontslag in 2002 afwisselend bij diverse Nederlandse werkgevers in Nederland gewerkt dan wel WW-uitkeringen gehad. Hij is in 2013 vervroegd met pensioen gegaan en woont vanaf 2009 in Duitsland. In 2002 is de arbeidsovereenkomst tussen de ex-werkgever en belanghebbende beëindigd. Als vergoeding bij einde dienstverband is belanghebbende een bruto bedrag van € 75.000 toegekend. De ontslagvergoeding is door de ex-werkgever gestort in een loonstamrecht als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel g Wet LB 1964. Het stamrecht is ingegaan op 14 september 2002 bij in leven zijn. Het betreft een zogeheten gericht stamrecht. De ingangsdatum van de termijnen is bepaald op 14 januari 2014 bij in leven zijn van belanghebbende en op de dag van overlijden bij overlijden van belanghebbende vóór die datum. Op 13 januari 2015 is met het opgebouwde stamrechtkapitaal een polis voor een periodieke uitkering afgesloten bij een verzekeraar. De begindatum is 14 december 2014 en de einddatum is 14 december 2015. De rechtbank heeft het volgende overwogen. Om de ontslagvergoeding als pensioen in de zin van artikel 12 van genoemd verdrag te kunnen aanmerken moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld of de ex-werkgever en belanghebbende hebben bedoeld een vergoeding overeen te komen als aanvulling op het pensioen. Daarbij moet worden uitgegaan van de maatstaven in het jaar 2002, het jaar waarin de ontslagvergoeding is overeengekomen. De enkele omstandigheid dat belanghebbende de vergoeding van meet af aan heeft willen besteden als aanvulling op zijn pensioenrechten, zoals hij stelt, wil volgens de rechtbank niet zeggen dat de aard en strekking van de vergoeding ten tijde van de toekenning daarop ook gericht was. Op basis van de overgelegde gegevens en de overige omstandigheden van het geval, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de ontslagvergoeding niet als pensioen kan worden aangemerkt. Volgens de rechtbank moet er worden aangenomen dat de ontslagvergoeding in algemene zin verband houdt met de uitoefening van de dienstbetrekking en dus moet worden aangemerkt als inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 10 van het betreffende verdrag. Het beroep is ongegrond verklaard. De uitspraak is op 22 februari 2019 gepubliceerd.
Het arrest is direct te downloaden van de rechtspraakpagina internationaal van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

2 maart 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand is de volgende vakbijdrage gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

2 maart 2019
De aangiftecampagne rond de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2018 is op 1 maart 2019 van start gegaan. Samen met de online aangifte 2018 is de geactualiseerde Rekenhulp (applicatie)revisierente op de site van de Belastingdienst geplaatst. Deze online applicatie kan een helpende hand bieden bij het doen van aangifte ter zake van een afkoop van een lijfrenteverzekering en een opname in 1 keer van het tegoed op lijfrentrekening (of van een lijfrentebeleggingsrecht). De afkopende belastingplichtige zal dan inbeginsel revisierente zijn verschuldigd. Althans dat geldt in het algemeen voor 'grote' nieuw-regime-lijfrenten (globaal: gesloten in 1992 of erna). Er is géén revisierente verschuldigd bij afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule die onder de eerbiedigende werking van het oude fiscale regime van vóór 1992 valt en waarvoor na 2000 geen premies meer zijn afgetrokken en bij afkoop van een lijfrenteverzekering die vóór 1992 is afgesloten tegen een eenmalige premie (koopsom). Bovendien geldt het volgende. Als de afkoopwaarde van een nieuw-regime-lijfrente in 2018 € 4.351 of minder heeft bedragen, is de afkoper ook geen revisierente verschuldigd. En dat geldt onder voorwaarden ook bij afkoop van een nieuw-regime-lijfrente bij langdurige arbeidsongeschiktheid.
De verschuldigde revisierente bedraagt volgens de hoofdregel 20% van de (afkoop)waarde van de lijfrenteverzekering of het tegoed van de bancaire lijfrente. Als de lijfrente is afgekocht binnen 10 jaar na het afsluiten ervan, dan kan men gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Hierbij wordt de revisierente op een andere manier berekend. Daarbij wordt rekeninggehouden met de premieaftrek in de afgelopen jaren. Dit kan voor de belastingplichtige voordeliger zijn. Hoeveel revisierente er betaald moet worden kan worden berekend met de Rekenhulp Revisierente. Daarmee kunnen berekeningen worden gemaakt voor de afkoopjaren 2012 tot en met 2018. Voor iedere lijfrenteverzekering of lijfrentespaarrekening moet de rekenhulp apart worden ingevuld. Is de uitkomst volgens de tegenbewijsregeling minder dan 20% van de afkoopsom of het tegoed? Dan geldt die lagere uitkomst als revisierente.
De Rekenhulp Revisierente is direct toegankelijk gemaakt
via de programmapagina van deze site.

Bron: www.belastingdienst.nl

20 februari 2019
Op 18 februari 2019 heeft de Belastingdienst op haar website de meest recente Nieuwsbrief loonheffingen 2019 gepubliceerd, uitgave 4. In de nieuwsbrief vindt u informatie over de nieuwe regels vanaf 1 januari 2019 voor het inhouden en betalen van loonheffingen. In de 4e uitgave heeft de Belastingdienst 4 onderwerpen toegevoegd:
- Bedragen gemiddeld uurloon lage-inkomensvoordeel 2019;
- Tarief 2e schijf speur- en ontwikkelingswerk omhoog;
- Maximale looptijd 30%-regeling van 8 naar 5 jaar;
- Belastingvrije studietoelage voor kinderen van werknemers.

De tarieven, bedragen en percentages vanaf 1 januari 2019 zijn daardoor verplaatst van punt 10 naar punt 14. Verder is nog een aantal andere aanpassingen aangebracht, waaronder de tekst bij punt 6 inzake afkoopkorting pensioen in eigen beheer.
Het integrale PDF-document is direct te downloaden van de renseignerings- en inhouding LB-pagina van deze website.

Bron: www.belastingdienst.nl/loonheffingen

16 februari 2019
Op 8 februari 2019 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een zaak (18/00136) waarbij in geschil was of belanghebbende in 2013 recht heeft op verrekening van de door de lijfrenteaanbieder in 2015 aangekondigde inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen ter zake van de – in verband met de overschrijding van de wettelijke termijn aangenomen – (fictieve) afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule met de door hem in 2013 verschuldigde inkomstenbelasting. De lijfrenteaanbieder heeft belanghebbende geïnformeerd dat ten onrechte loonheffing is achterhouden en dat dit bedrag aan belanghebbende zal worden uitgekeerd. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in zijn uitspraak van 28 november 2017 (BK 17/00399) dat de fictief afgekochte aanspraak op lijfrente niet is aan te merken als loon op grond van de Wet LB 1964 en niet aan de inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen is onderworpen. Het door de lijfrenteaanbieder achtergehouden bedrag kan naar het oordeel van het hof reeds daarom niet worden aangemerkt als geheven loonheffing in de zin van artikel 27, lid 1, Wet LB 1964. Het bedrag kan volgens het hof niet worden verrekend met de voor het jaar 2013 verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. A-G Niessen oordeelde in zijn conclusie van 8 november 2018 dat, nu in casu sprake is van een fictieve afkoop van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in verband met overschrijding van de wettelijke uitvoeringstermijn als bedoeld in artikel 3.133, lid 3 Wet IB 2001 (van overeenkomstige toepassing op zo’n oud-regimelijfrente ingevolge onderdeel O, lid 6 Invoeringswet Wet IB 2001), geen sprake is van een afkoopsom die is onderworpen aan de inhouding van loonbelasting. A-G Niessen merkt op dat ingevolge artikel 27, lid 5, Wet LB 1964 een inhoudingsplichtige lijfrenteaanbieder (slechts) verplicht is de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen. Nu in casu geen sprake is van ingehouden loonbelasting, was de lijfrenteaanbieder niet verplicht het ingehouden bedrag aan de Belastingdienst af te dragen. Nu geen sprake is van geheven loonbelasting, maar van achtergehouden bedragen, kan belanghebbende dat bedrag volgens A-G Niessen niet verrekenen met zijn aanslag IB/PVV. De conclusie van de A-G werd op 11 januari 2019 gepubliceerd. De Hoge Raad volgt de A-G in zijn conclusie en voegt in zijn arrest nog de volgende rechtsoverweging toe: "Het bedrag dat belanghebbende als ingehouden loonheffing wil verrekenen, is in 2015 door de lijfrenteaanbieder achtergehouden bij de uitbetaling aan belanghebbende van het verzekerde bedrag. Zo al sprake is van ingehouden loonheffing, is die loonheffing niet ingehouden ter zake van de fictieve uitkering in 2013 en daarom niet in 2013 als voorheffing verrekenbaar". Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard. Het arrest is op 8 februari 2019 gepubliceerd.
Het volledige arrest is direct te downloaden vande rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

16 februari 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand is de volgende vakbijdrage gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

12 februari 2019
Op 8 februari 2019 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (nr. 17/04210) in een zaak waarbij het volgende speelde. Belanghebbende X heeft in 1991 van zijn werkgever een ontslagvergoeding gekregen in de vorm van een stamrecht. Deze heeft hij ondergebracht in zijn BV. Het door X op 25 juli 1991 bedongen ontslagstamrecht bestaat uit een aan hem uit te keren periodieke uitkering van € 74.852 per jaar, dat ingaat op 65-jarige leeftijd en eindigt bij zijn overlijden. X heeft op 10 januari 2007 de 65-jarige leeftijd bereikt. De BV heeft in de periode 1994 - 2013 als loon aangeduide betalingen gedaan aan X. Deze betalingen zijn tot en met het jaar 2008 ten laste van de winst van de BV gebracht. De inspecteur heeft in verband met het in 2007 prijsgegeven stamrecht een navorderingsaanslag opgelegd. De zaak heeft inmiddels gediend voor een rechtbank, twee gerechtshoven en twee maal voor de Hoge Raad. Eindelijk lijkt de fiscale discussie na een vrij lang slepende procedure te zijn beslecht. Op 30 oktober 2018 heeft A-G Niessen in deze zaak (17/04210), in een tweede cassatieronde, conclusie genomen. In zijn conclusie oordeelde de A-G dat het Gerechtshof Amsterdam (verwijzingshof) in zijn uitspraak van 27 juli 2017 (nr. 17/00129) terecht heeft geoordeeld dat de stamrechtaanspraak van X voor verwezenlijking vatbaar is. De waarde van de stamrechtaanspraak moet volgens de A-G op grond van artikel 13, lid 2 Wet LB 1964 juncto artikel 18 Uitvoeringsregeling LB 2001 worden gesteld op het bedrag dat bij een derde gestort moet worden teneinde de aanspraak te dekken. Aangezien de BV niet insolvent was maar zelfs nog activa bezat, waaronder een aanzienlijke effectenportefeuille, oordeelde de A-G dat het in 2007 geenszins onmogelijk zou zijn geweest de verplichtingen uit de stamrechtovereenkomst na te komen. In 2007 kon evenmin als vaststaand worden aangenomen dat de BV in de jaren na 2007 niet meer aan haar stamrechtverplichtingen kon voldoen. Beide door X in cassatie voorgestelde middelen falen volgens de A-G. De A-G concludeerde dan ook tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. In navolging van die conclusie heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Gelet op artikel 81, lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie, behoeft het arrest geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Het arrest is op 8 februari 2019 gepubliceerd.
Het arrest is direct te downloaden van de rechtspraakpagina Loonbelasting van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

11 februari 2019
Op 16 januari 2019 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in een zaak (BK 18/00577) waarbij in geschil was het antwoord op de vraag of de waarde van een lijfrenteverzekering terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning in box 1 is gerekend. Ook was in geschil of in casu revisierente terecht in rekening is gebracht. In de zaak speelde het volgende. Belanghebbende, tevens verzekeringnemer, B heeft per 1 juli 1997 een lijfrenteverzekering afgesloten bij een levensverzekeraar. De contractuele einddatum van die lijfrenteverzekering was 1 juli 2013. B had op 31 december 2014 nog geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die door de verzekeraar onder andere per brief 12 april 2013 waren meegedeeld aan B. Als gevolg daarvan werd op 31 december 2014 de wettelijke (uitvoerings)termijn als bedoeld in artikel 3.133, lid 3 Wet IB 2001 overschreden. Als gevolg daarvan werd de lijfrente-aanspraak geacht te zijn afgekocht. Naar het oordeel van Rechtbank Den Haag heeft belanghebbende B onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld had kunnen worden dat er sprake was van bijzondere omstandigheden op basis waarvan bedoelde termijn had moeten worden verlengd. De verzekeraar heeft B door middel van twee brieven op de hoogte gebracht van de einddatum van de lijfrenteverzekering. Uit de zich bij de gedingstukken bevindende brief is volgens de rechtbank gebleken ook dat B op de hoogte was van de expiratie van zijn lijfrenteverzekering. In hoger beroep oordeelde het hof dat belanghebbende met de door hem aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overschrijding van de wettelijke termijn niet aan hem te wijten is. Naar het oordeel van het hof werd belanghebbendes lijfrente-aanspraak terecht geacht te zijn afgekocht op 31 december 2014 en zijn als gevolg daarvan bij belanghebbende terecht negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen in box 1. Volgens het hof is in verband daarmee terecht revisierente van 20 procent in rekening gebracht over de waarde van de lijfrente-aanspraak. Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De uitspraak is op 30 januari 2019 gepubliceerd.
De volledige uitspraak is direct te downloaden van de rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

3 februari 2019
Het Gerechtshof Amsterdam heeft zich op 1 november 2018 uitsproken in een procedure (BK 17/00375) waarbij in geschil was het antwoord op de vraag of de door Y in de periode 1995 – 2000 betaalde lijfrentepremies niet in mindering zijn gekomen op zijn onzuivere inkomen. Y heeft bij de belastingheffing ter zake van de lijfrentetermijnen namelijk een beroep gedaan op de zogenoemde verruimde saldomethode. Voor de betreffende belastingjaren is het goedkeurende beleid van de verruimde saldomethode neergelegd in de resolutie van 29 juni 1990, nr. DB90/3579. Y verklaarde tijdens de zitting dat hij de destijds betaalde lijfrentepremies bewust niet in zijn aangiften voor de jaren 1995 tot 2000 in aftrek op zijn inkomens heeft gebracht omdat hem dit geen fiscaal voordeel zou opleveren. Volgens het hof is het de vraag of Y in aanmerking komt voor toepassing van het goedkeurend beleid. Het hof is van oordeel dat het niet aftrekken van de premies in de jaren 1995 – 2000 op een welbewuste keuze van Y berust. Genoemd goedkeurend beleid is daarom op hem niet van toepassing, aangezien niet aan de daaraan gestelde voorwaarde is voldaan dat geen sprake mag zijn van een bewuste keuze. Dat betekent volgens het hof dat de saldomethode als bedoeld in artikel 25, lid 1, onderdeel g Wet IB 1964 onverkort geldt, hetgeen in het geval van Y inhoudt dat de inspecteur terecht de volledige termijn uit de lijfrentepolis tot het belastbare inkomen uit werk en woning van Y heeft gerekend. Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De uitspraak is op 23 januari 2019 gepubliceerd.
De volledige uitspraak is direct te downloaden van de rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

2 februari 2019
Op 16 januari 2019 heeft Rechtbank Gelderland zich uitgesproken in een zaak (AWB 18/4231) waarbij het volgende speelde. In 2012 heeft X een stamrecht-BV opgericht. De ex-werkgever van X heeft de in 2012 ontvangen ontslagvergoeding gestort op de bankrekening van de BV. X heeft de belastinginspecteur vervolgens verzocht om toepassing van de loonstamrechtvrijstelling. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur per brief van 29 maart 2012 aan X de voorwaarden aan de loonstamrechtvrijstelling meegedeeld. De door X ingediende aangifte VPB 2016 gaf de inspecteur aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Daaruit bleek dat X helemaal geen stamrechtovereenkomst met de BV heeft afgesloten, dat hij de bankrekening van de BV heeft opgeheven en dat hij op 15 augustus 2012 het bedrag van de ontslagvergoeding naar zijn privérekening heeft overgeschreven. Omdat de stamrechtvrijstelling ten onrechte is toegepast, heeft de inspecteur een navorderingsaanslag, inclusief boete, opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat toen X 15 augustus 2012 de ontvangen ontslagvergoeding van de bankrekening van de BV overmaakte naar zijn privérekening, hij had kunnen en moeten begrijpen dat een dergelijke handelwijze niet in overeenstemming is met de loonstamrechtvrijstellingsvoorwaarden die hem per brief waren meegedeeld. X had zich op dat moment moeten afvragen of hij zich wel aan die voorwaarden hield. Dit geldt volgens de rechtbank ook als een belastingplichtige niet fiscaal deskundig is en sprake is van een redelijk complexe regeling met specifieke voorwaarden. Daarbij komt dat het de rechtbank niet is gebleken dat X op een andere manier een begin heeft gemaakt met het naleven van de stamrechtvrijstellingsvoorwaarden. X heeft namelijk ook geen stamrechtovereenkomst afgesloten met de BV. Daardoor volgt nergens uit dat de BV uiterlijk in het jaar waarin eiser 65 wordt periodieke uitkeringen zal gaan verstrekken. Het gelijk is volgens de rechtbank aan de inspecteur. Het beroep is ongegrond verklaard. De uitspraak is op 21 januari 2019 gepubliceerd.
De uitspraak is direct te downloaden van de rechtspraakpagina Loonbelasting van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

30 januari 2019
Op 8 november 2018 heeft de A-G van de Hoge Raad conclusie (18/00136) genomen in een zaak waarbij in geschil is of belanghebbende in 2013 recht heeft op verrekening van de door de lijfrenteaanbieder in 2015 aangekondigde inhouding van loonbelasting en premies volksverzekeringen ter zake van de - in verband met de overschrijding van de wettelijke uitvoeringstermijn aangenomen - (fictieve) afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule met de door hem in 2013 verschuldigde inkomstenbelasting. De lijfrenteaanbieder heeft belanghebbende geïnformeerd dat ten onrechte loonheffing is achterhouden en dat dit bedrag aan belanghebbende zal worden uitgekeerd. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in zijn uitspraak van 28 november 2017 (BK 17/00399) dat de fictief afgekochte aanspraak op lijfrente niet is aan te merken als loon op grond van de Wet LB 1964 en niet aan de inhouding van loonbelasting en premie volksverzekeringen is onderworpen. Het door de lijfrenteaanbieder achtergehouden bedrag kan naar het oordeel van het hof reeds daarom niet worden aangemerkt als geheven loonheffing in de zin van artikel 27, lid 1, Wet LB 1964. A-G Niessen oordeelt dat nu in casu sprake is van een fictieve afkoop van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in verband met overschrijding van de wettelijke uitvoeringstermijn als bedoeld in artikel 3.133, lid 3 Wet IB 2001 (van overeenkomstige toepassing op zo'n oud-regimelijfrente ingevolge onderdeel O, lid 6 Invoeringswet Wet IB 2001) geen sprake is van een afkoopsom die is onderworpen aan de inhouding van loonbelasting. A-G Niessen merkt op dat ingevolge artikel 27, lid 5, Wet LB 1964 een inhoudingsplichtige lijfrenteaanbieder (slechts) verplicht is de in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte af te dragen. Nu in casu geen sprake is van ingehouden loonbelasting, was de lijfrenteaanbieder niet verplicht het ingehouden bedrag aan de Belastingdienst af te dragen. A-G Niessen meent dat slechts geheven loonbelasting met de aanslag in de inkomstenbelasting kan worden verrekend. Nu in casu geen sprake is van geheven loonbelasting, maar van achtergehouden bedragen, kan belanghebbende dat bedrag niet verrekenen met zijn aanslag inkomstenbelasting. De conclusie is op 11 januari 2019 gepubliceerd.
De volledige conclusie en de hofuitspraak zijn direct te downloaden vande rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

30 januari 2019
Op 17 maart 2018 heeft een belastingplichtige de Nationale Ombudsman benadert over de afwijzing van de saldoverklaring en over de afhandeling van de klacht hierover. Hij voelt zich door de Belastingdienst niet serieus genomen. Wat aan het contactleggen met de Nationale Ombudsman vooraf ging is het volgende. De man heeft in 1991, 1992 en 1994 premies betaald op een lijfrenteverzekering. Hij heeft gesteld dat hij toen per abuis geen belastingaftrek heeft geclaimd. Om die reden heeft de man de Belastingdienst gevraagd om afgifte van een saldoverklaring (inzake niet-afgetrokken premies). De inspecteur heeft het verzoek afgewezen omdat de man geen kopie kon overleggen van zijn definitieve aanslagen over die jaren. De man wilde weten of zo een kopie echt nodig is. Hij belde de Belastingtelefoon twee keer. Beide keren vertelde de medewerker van de Belastingtelefoon dat dit (in principe) niet nodig is. Met geluidsopnamen van deze gesprekken klaagde de man bij de Belastingdienst over het niet verstrekken van de saldoverklaring. De Belastingdienst achtte de klacht ongegrond. Daarop heeft de man de Nationale Ombudsman gevraagd om zich hierover uit te spreken. Om in aanmerking te komen voor een saldoverklaring moet de man zijn (aftrek)verzuim voldoende aannemelijk maken. Daarvoor is het nodig dat hij inzicht geeft in zijn heffingssituatie van de betreffende jaren. Alleen een kopie van de oude IB-aangiften is daarvoor niet genoeg. De Nationale Ombudsman vindt het onder deze omstandigheden redelijk dat de inspecteur ook een kopie van de definitieve aanslagen heeft gevraagd en bij gebrek daarvan geen saldoverklaring heeft afgegeven. De klacht hierover acht de Nationale Ombudsman dan ook ongegrond. Vervolgens oordeelt de Nationale Ombudsman als volgt. Uit de geluidsopnamen blijkt duidelijk dat de Belastingtelefoon de man twee keer verkeerd heeft geïnformeerd over de bewijslast, ondanks het feit dat het belscript van de Belastingtelefoon en de website van de Belastingdienst het juiste antwoord geven. In de eigen klachtafhandeling heeft de Belastingdienst deze tekortkoming niet erkend. Daarmee is de Belastingdienst tekortgeschoten in de telefonische informatieverstrekking en in de juiste afhandeling van de klacht. De klacht hierover is volgens de Nationale Ombudsman gegrond wegens schending van het vereiste van goede informatieverstrekking respectievelijk het vereiste van professionaliteit. Het rapport van de Nationale Ombudsman is op 10 januari 2019 gepubliceerd.
De volledige rapportage is direct te downloaden van de rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

29 januari 2019
Op 29 november 2018 heeft de A-G van de Hoge Raad conclusie (17/05027) genomen in een zaak waarbij aan de orde is of de tot 1 januari 2014 geldende loonstamrechtvrijstelling zoals destijds was opgenomen in artikel 11, lid 1, onderdeel g Wet LB 1964 van toepassing is op een in 2014 toegekende ontslagvergoeding. In zijn uitspraak van 14 september 2017 (BK 16/03482) oordeelde het Gerechtshof Den Bosch dat uit de betreffende wettekst volgt dat de loonstamrechtvrijstelling alleen in geval de schadevergoeding is genoten voor het vervallen van de stamrechtvrijstelling op 1 januari 2014, zelfstandig op de schadevergoeding van toepassing kan zijn. Het hof heeft geoordeeld dat de schadevergoeding niet rentedragend in de zin van artikel 13a Wet LB 1964 is als de rente pas tegelijk met de vordering komt vast te staan en ook pas dan vorderbaar en inbaar wordt. Naar het oordeel van het hof is ook overigens geen genietingsmoment in 2013 aan te wijzen. Dit betekent volgens het hof dat bedoelde loonstamrechtvrijstelling slechts van toepassing kan zijn op grond van de overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964. Het hof heeft overwogen dat de belanghebbende in kwestie op 31 december 2013 nog geen aanspraak had op het bedrag van de schadevergoeding zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 39f, lid 1, Wet LB 1964 dat sprake moet zijn van een op 31 december 2013 bestaande en bepaalbare aanspraak. Het hof oordeelde vervolgens dat die overgangsregeling niet in strijd is met artikel 14 EVRM. Het hof heeft belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen. A-G Niessen meent in zijn conclusie dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de schadevergoeding niet rentedragend in de zin van artikel 13a Wet LB 1964 is geworden op het moment dat de wettelijke rente verschuldigd is. Met het hof is de A-G ook van oordeel dat de overgangsregeling van artikel 39f Wet LB 1964 niet van toepassing is op de door belanghebbende ontvangen schadevergoeding omdat de aanspraak op periodiek uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon op 31 december 2013 niet voldoende bepaald of bepaalbaar was. De conclusie van de A-G strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. De conclusie is op 18 januari 2019 gepubliceerd.
De volledige conclusie en de hofuitspraak zijn direct te downloaden van de rechtspraakpagina Loonbelasting van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

27 januari 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand is de volgende vakbijdrage gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

21 januari 2019
Nederland heeft met een groot aantal landen belastingverdragen gesloten ter voorkoming van dubbele heffing van directe belastingen (onder andere inkomstenbelasting en dividendbelasting). Ook heeft Nederland verdragen afgesloten waarin de uitwisseling van fiscale informatie wordt geregeld. In een overzicht dat op de website van de Rijksoverheid is opgenomen, zijn niet alleen belastingverdragen opgenomen, maar ook andere regelingen, zoals de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Het verdragenoverzicht wordt elk kwartaal bijgewerkt.
Een verdagenoverzicht per 1 januari 2019 is direct te downloaden via de Internationaalpagina van deze site.

Bron: https://www.rijksoverheid.nl/documenten

6 januari 2019
Vandaag is de site bijgewerkt met - een selectie van - de officiële teksten met betrekking tot het jaar 2019 van de volgende wetten en aanpalende regelgeving:

De teksten zijn direct - in PDF-formaat - te raadplegen via de wettekstenpagina van deze site.

4 januari 2019
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand zijn de volgende vakbijdragen gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

4 januari 2019
Op 22 juni 2018 heeft de Hoge Raad geoordeeld (kenmerk 16/06236) dat het bij de beoordeling of een regeling een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) is, als bedoeld in artikel 32ba Wet LB 1964 (Wet LB), gaat om de objectieve voorwaarden en kenmerken van de regeling. In genoemd arrest schetst de Hoge Raad een kader aan de hand waarvan de RVU-toets voor elke soort vertrekregeling kan worden uitgevoerd. Dit kader ziet er als volgt uit:
- Allereerst wordt getoetst aan de objectieve voorwaarden van een vertrekregeling;
- Als op basis van de objectieve voorwaarden sprake kan zijn van een RVU, dan vindt op individueel niveau nog een toets plaats op basis van de objectieve kenmerken van de regeling.

In vervolg op het genoemde arrest van de Hoge Raad heeft het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst op 28 december 2018 een handreiking voor de interpretatie van het begrip RVU gepubliceerd op www.belastingdienstpensioensite.nl. In de handreiking wordt eerst het arrest kort besproken, alsmede de gevolgen daarvan voor de praktijk. Vervolgens wordt het hierboven geschetste kader nader toegelicht.
De handreiking is direct te raadplegen en tevens te downloaden van de FAQ's en helpdeskvragenpagina van deze site.

Bron: http://www.belastingdienstpensioensite.nl

3 januari 2019
Op 11 december 2018 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan (kenmerk 18/00368) in een zaak waarbij in geschil was of de maandelijks in januari tot en met augustus 2014 door een belastingplichtige ontvangen uitkeringen uit een ontslagstamrecht voor 80% (tijdelijke regeling ex artikel 39f, lid 3 Wet LB 1964, tekst 2014) of voor 100% in de loonheffing moeten worden betrokken. De inspecteur heeft die uitkeringen in volle omvang in de heffing van de IB/PVV voor 2014 betrokken. Het Hof is van oordeel dat uit de wetsgeschiedenis inzake artikel 39f blijkt dat de wetgever met de bepaling in het derde lid van dat artikel een fiscale stimulans heeft willen geven voor situaties waarin door volledige afkoop van het ontslagstamrecht uitkeringen worden ontvangen op een eerder tijdstip dan uit de stamrechtovereenkomst volgt. Daarvan is slechts sprake bij ontvangst van de (volledige) afkoopwaarde. Daarbij moet het in de Wet LB gebruikte ‘ineens’ worden uitgelegd als: in één keer, hetgeen een uitkering in termijnen uitsluit. De wetgever heeft toepassing van de faciliteit op de volgens de stamrechtovereenkomst periodiek uit te keren bedragen (reguliere termijnen) en gevallen van gedeeltelijke afkoop hierbij nadrukkelijk afgewezen omdat in die situaties van vervroegde uitkering van het stamrecht niet of nauwelijks zou kunnen worden gesproken. Vervolgens wijst het Hof erop dat de faciliteit is opgenomen in de Wet LB, uit welke wet voortvloeit dat van iedere in 2014 uit het stamrecht ontvangen uitkering op het tijdstip van uitbetaling moet worden beoordeeld of de 80%-regeling van toepassing is. Bij ontvangst van de in de maanden januari tot en met augustus uitgekeerde bedragen was van volledige afkoop nog geen sprake, zodat daarop die regeling niet kon worden toegepast. Volgens het Hof zijn de in de maanden januari tot en met augustus 2014 ontvangen stamrechtuitkeringen terecht volledig tot het loon gerekend en heeft de inspecteur die uitkeringen terecht in volle omvang in de heffing van de IB/PVV voor 2014 betrokken. De uitspraak is op 21 december 2018 gepubliceerd.
De volledige uitspraak is direct te downloaden van de rechtspraakpagina Loonbelasting van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

3 januari 2019
Op 28 december 2018 is het besluit met de titel 'Pensioenen; verzamelbesluit diverse onderwerpen' (2018-28514) inzake de loonheffingen en inkomstenbelasting in de Staatscourant geplaatst. Dit besluit is een actualisering van besluitnummer 2017-126948. In onderdeel 2.3. zijn de voorwaarden voor vrijwillige voortzetting van pensioenopbouw tot 10 jaar na ontslag opgenomen. Onderdeel 2.3.1. gaat over de vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw na het beëindigen van de dienstbetrekking door een werknemer. Het nieuw toegevoegde onderdeel 2.3.2. heeft betrekking op de vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw door een IB-ondernemer of resultaatgenieter na het beëindigen van de arbeidsverhouding op grond waarvan werd deelgenomen aan een bedrijfstak- of beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, lid 2, onderdeel b Wet IB 2001.
Het geactualiseerde beleidsbesluit is direct te downloaden via de besluitenpagina Loonbelasting van deze site.

Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/

2 januari 2019
Op 21 december 2018 is het besluit met de titel 'Vrijstellingen. Omzetting, fusie of taakafsplitsing' (2018-194402) inzake de schenk- en erfbelasting in de Staatscourant geplaatst. Dit besluit is een actualisering van besluitnummer BLKB2012/417M. Onderdeel 9 gaat over de lijfrentevrijstelling zoals bedoeld in artikel 32, lid 1, onderdeel 5e Successiewet 1956. Dit onderdeel is aangepast. Hierbij is verduidelijkt in welke gevallen de aanpassing of omzetting van een lijfrentecontract invloed heeft op de toepassing van de lijfrentevrijstelling.
Het geactualiseerde beleidsbesluit is direct te downloaden via de besluitenpagina Succesiewet 1956 van deze site.

Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/

1 januari 2019
Op 21 december 2018 heeft de Belastingdienst op haar website de meest recente Nieuwsbrief loonheffingen gepubliceerd, uitgave 3. In deze nieuwsbrief vindt u informatie over de nieuwe regels voor het inhouden en betalen van de loonheffingen vanaf 1 januari 2019. Meer specifiek is in deze nieuwsbrief informatie te vinden over de volgende onderwerpen: de AOW-leeftijd per 1 januari 2019 en de afkoopkorting voor pensioen in eigen beheer in 2019.
Het integrale PDF-document is direct te downloaden van de renseignerings- en inhouding LB-pagina van deze website.

Bron: www.belastingdienst.nl/loonheffingen

31 december 2018
Op 31 december 2018 is de 'Bijstellingsregeling 2019' in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. 69665). In die regeling zijn onder meer de officiële fiscale cijfers inzake inkomensvoorzieningen (lijfrenten) en het KEW-/SEW-/BEW-vrijstellingsbedrag voor 2019 opgenomen. De afkoopgrens bij afkoop van box 1-lijfrenten bij langdurige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.133, lid 9, onderdeel c Wet IB 2001 is nu ook officieel bekend. De afkoopgrens komt voor 2019 te liggen op € 41.132. Deze grens was nog niet opgenomen in het recent gepubliceerde eindejaarsbericht van Financiën. In het FsL-overzicht met de levencijfers voor 2019 was dit bedrag al opgenomen.
De volledige tekst van het document is sinds vandaag direct te downloaden van de wettekstenpagina van deze site.

Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/

31 december 2018
Op 31 december 2018 is de 'Regeling tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen' in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. 72059). In deze regeling is een aantal wijzigingen opgenomen voor de jaarlijkse aanpassing van diverse uitvoeringsregelingen, waaronder de Uitvoeringsregeling IB 2001 (UR IB 2001). Deze regeling bevat op het terrein van levensverzekeringen geen wijzigingen voor 2019.
De volledige tekst van het document is sinds vandaag direct te downloaden van de wettekstenpagina van deze site.

Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/

30 december 2018
Op 28 december 2018 is onder meer het 'Besluit tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen' (Stb. 2018, 514) in het Staatsblad gepubliceerd. In het laatstgenoemde (eindejaars)besluit is een aantal wijzigingen opgenomen van enkele uitvoeringsbesluiten op het terrein van onder meer de directe en indirecte belastingen. De wijzigingen vloeien onder andere voort uit de wijzigingen in de wetgeving bij het Belastingplan 2019. Het besluit betreft onder meer aanpassingen in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 in verband met het wijzigen van de nettofactor voor de fiscale begrenzingen voor nettolijfrenten.
De volledige tekst van het document is sinds vandaag direct te downloaden van de wettekstenpagina van deze site.

Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/

30 december 2018
Op 28 december 2018 is onder meer het 'Belastingplan 2019' (Stb. 2018, 504) in het Staatsblad gepubliceerd. Deze wet bevat onder meer maatregelen inzake de codificatie van de compartimenteringsregel bij het opleggen van conserverende aanslagen bij emigratie als men een lijfrente bezit.
De volledige tekst van het document is sinds vandaag direct te downloaden van de wettekstenpagina van deze site.

Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/

21 december 2018
Naar aanleiding van het Eindejaarsbericht van Financiën van 21 december 2018 inzake de fiscale cijfers voor 2019 is een overzicht met de voor levensverzekeringen en bankspaarproducten relevante fiscale cijfers voor het jaar 2019 op deze website geplaatst. Het praktische overzicht met de voor de levensverzekeringspraktijk relevante cijfers is direct te downloaden via de cijfers en overzichtenpagina van deze site.

Bron: https://www.rijksoverheid.nl/documenten

21 december 2018
Op 18 december 2018 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het pakket 'Belastingplan 2019'. De wetten uit het pakket 'Belastingplan 2019' treden officieel in werking nadat de Koning deze heeft goedgekeurd. Vooruitlopend op de goedkeuring door de Koning heeft het ministerie van Financiën in het Eindejaarsbericht van vandaag een overzicht gegevens van de belangrijkste wijzigingen in de belastingen per 1 januari 2019. Dit overzicht bevat ten opzichte van het op 18 december 2018 gepubliceerde bericht een aanvulling met de fiscale cijfers inzake levensverzekeringen (lijfrenten en kapitaalproducten). In het oorspronkelijke bericht waren deze cijfers niet opgenomen.
Het Eindejaarsbericht is direct te downloaden via
de cijfers en overzichtenpagina van deze site.

Bron: https://www.rijksoverheid.nl/documenten

17 december 2018
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand is de volgende vakbijdrage gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

2 december 2018
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maand zijn de volgende vakbijdragen gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

1 december 2018
Wegens privé-omstandigheden heb ik dit jaar een achterstand opgelopen met betrekking tot de publicatie van - een selectie van - de officiële teksten met betrekking tot het jaar 2018. De achterstand is inmiddels ingelopen. Op de website zijn vandaag alsnog voor u geplaatst de geselecteerde teksten inzake de volgende wetten en aanpalende regelgeving:

De teksten zijn direct - in PDF-formaat - te raadplegen via de wettekstenpagina van deze site.

17 november 2017
Het wetsvoorstel ‘Belastingplan 2019’ (TK 35.026, nr. 2H) is op 15 november 2018 aangenomen door de Tweede Kamer. Het gewijzigde wetsvoorstel is vandaag op deze webiste geplaatst. Genoemd wetsvoorstel maakt deel uit van het pakket Belastingplan 2019 en bevat onder meer maatregelen inzake de codificatie van de compartimenteringsregel bij het opleggen van conserverende aanslagen bij emigratie als men een lijfrente bezit. De plenaire behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer, gezamenlijk met de andere wetsvoorstellen van het pakket Belastingplan 2019, vond plaats op 11 december 2018. De stemmingen over het voorstel en over de moties vinden plaats op 18 december 2018. Op maandag 19 november 2018 werd voor de commissie door medewerkers van het ministerie van Financiën een technische briefing over het wetsvoorstel verzorgd.
De kamerstukken met betrekking tot het wetsvoorstel zijn direct te downloaden via
de wetsvoorstellenpagina van deze site.

Bron: www.eerstekamer.nl

4 november 2018
Op 26 oktober 2018 is de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel ‘Belastingplan 2019’ (Kamerstukken II, 2018–2019, 35 026, nr. 13) opgemaakt. In de nota wordt een verduidelijking gegeven inzake de codificatie van de compartimenteringsregel bij het opleggen van een conserverende aanslag ingeval men emigreert en in het bezit is van een aanspraak op een lijfrente en/of pensioen. De verduidelijking op de compartimenteringsregel is uitgewerkt op bladzijden 49 tot en met 51 van de nota naar aanleiding van het verslag.
De kamerstukken met betrekking tot het wetsvoorstel zijn direct te downloaden via
de wetsvoorstellenpagina van deze site.

Bron: www.eerstekamer.nl

4 november 2018
Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd vanaf 2022 automatisch aangepast aan de levensverwachting op 65-jarige leeftijd. Eventuele verhoging wordt vijf jaar van te voren aangekondigd. Voor 2024 stijgt de AOW-leeftijd niet. De levensverwachting stijgt weliswaar enigszins in 2024, maar niet zoveel dat de AOW-leeftijd moet worden aangepast. Afgelopen jaren werd de AOW-leeftijd in 2022 en 2023 vastgesteld op 67 jaar en drie maanden. De levensverwachting blijft op langere termijn wel stijgen, maar de stijging verloopt niet gelijkmatig. In zijn brief van 1 november 2028 (kenmerk 2018-0000161861) heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid meegedeeld dat de AOW-leeftijd in 2024 niet omhoog gaat. In 2024 hebben mensen recht op AOW met 67 jaar en drie maanden. Daarmee blijft de AOW-leeftijd gelijk in 2022, 2023 en 2024. Dat de AOW-leeftijd voor 2024 gelijk blijft is door de minister vastgesteld op basis van de jaarlijkse raming van de levensverwachting door het CBS en een wettelijk vastgelegde formule voor de vaststelling van de AOW-leeftijd. De AOW-leeftijd is van belang voor diverse leeftijdsgerelateerde fiscale regelingen van de Wet IB 2001, zoals de (levenslange en tijdelijke) oudedagslijfrente, de jaarruimte, de stakingslijfrente en de nettolijfrente in box 3.
Een compleet overzicht met de voor de praktijk relevante AOW-leeftijden is direct te downloaden via de cijfers en overzichtenpagina van deze site.

Bron: https://www.rijksoverheid.nl/documenten

3 november 2018
Op 22 februari 2018 heeft het Hof Den Bosch uitspraak gedaan in een procedure waarbij in geschil was of de belanghebbende in kwestie recht had op aftrek van uitgaven voor inkomensvoorzieningen (kenmerk 16/03956). Uitgaven voor inkomensvoorzieningen komen onder voorwaarden in aanmerking voor aftrek. De voorwaarden voor aftrek zijn opgenomen in de Wet IB 2001. Artikel 3.127 van die wet bepaalt dat een belastingplichtige lijfrentepremies kan aftrekken ingeval sprake is van een pensioentekort. Volgens het hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een dergelijk pensioentekort; hij overlegde daartoe geen stukken. Bovendien heeft hij ook geen betaalbewijzen verstrekt waaruit blijkt dat er in het in geschil zijnde jaar lijfrentepremies zijn betaald. Het hof is van oordeel dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 80a RO. Het arrest van 21 september 2018 (kenmerk 18/01441) is op dezelfde dag gepubliceerd.
De volledige uitspraak is direct te downloaden van de rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

30 oktober 2018
Vandaag zijn diverse afgelopen week gepubliceerde kamerstukken inzake het wetsvoorstel ‘Belastingplan 2019’ (TK 35.026) op deze website geplaatst.
De kamerstukken met betrekking tot het wetsvoorstel zijn direct te downloaden via de wetsvoorstellenpagina van deze site.

Bron: http://www.eerstekamer.nl

28 oktober 2018
Vandaag is de vakartikelenpagina van deze website bijgewerkt naar de laatste stand van zaken inzake vakartikelen. De afgelopen maanden zijn de volgende vakbijdragen gepubliceerd over actuele onderwerp op het terrein van levensverzekeringen:

Zie ook de vakartikelenpagina van deze website!

27 oktober 2018
Vandaag zijn de diverse rechtsprakenpagina's op deze website voorzien van de meest actuele uitspraken/arresten op het terrein van levensverzekeringen.

Bron: www.rechtspraak.nl

15 september 2018
Op 10 september 2018 is de digitale Rekenhulp Lijfrentepremie 2018 ‘live’ gegaan en is online beschikbaar gesteld op de website van de Belastingdienst. De digitale Rekenhulp Lijfrentepremie is vanaf belastingjaar 2016 in een nieuw format c.q. “online jasje” gestoken. Belastingplichtigen hebben nu nog ruim drie maanden de tijd om hun aftrekruimte voor 2018 te bepalen en te beslissen of ze wel of geen bedragen zullen storten in hun lijfrenteproduct. Voor berekening van de aftrekruimten voor jaren gelegen vóór 2016 kan gebruik worden gemaakt van een afzonderlijke digitale rekenhulp.
De Rekenhulp Lijfrentepremie is direct toegankelijk gemaakt
via de programmapagina van deze site.

Bron: www.belastingdienst.nl

12 september 2018
Medio augustus 2018 is de PDF-versie van de Nieuwsbrief Loonheffingen 2019 van de Belastingdienst gepubliceerd. In deze nieuwsbrief vindt u informatie over de nieuwe regels voor het inhouden en betalen van de loonheffingen vanaf 1 januari 2019. Zo vindt u daarin onder meer informatie over de nieuwe AOW-leeftijd per die datum, als ook nadere informatie over de afkoopkorting bij afkoop van pensioen in eigen beheer in 2019. Vandaag is het handboek geplaatst op de website van Fiscaal leven.
Het integrale PDF-document is direct te downloaden van de renseignerings- en inhouding LB-pagina van deze website.

Bron: www.belastingdienst.nl/loonheffingen

9 september 2018
Op 18 juli 2018 zijn op www.belastingdienstpensioensite.nl (website van het CAP van de Belastingdienst) diverse V&A's van de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting over de fiscale behandeling van compensatie bij afkoop of omzetten in ODV van PEB. Vanaf 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 is het mogelijk om het in eigen beheer verzekerde deel van de opgebouwde pensioenaanspraak volledig af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Bij volledige afkoop of omzetting in een ODV kan de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak worden prijsgegeven voor zover de waarde in het economische verkeer van die aanspraak hoger is dan de fiscale balanswaarde van de bij het eigenbeheerlichaam tegenover die aanspraak staande pensioenverplichting op het moment van prijsgeven. Indien de dga een partner in de zin van artikel 1 Pensioenwet heeft, is prijsgeven alleen toegestaan na schriftelijke instemming van de partner. Een eventuele gewezen partner van de dga moet schriftelijk instemmen met het prijsgeven indien deze gewezen partner een (afgeleid) recht heeft op een deel van de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken. Ingeval het in eigen beheer verzekerde pensioen wordt afgekocht of omgezet in een ODV kan aan de (gewezen) partner een passende compensatie worden geboden voor het verlies van rechten als gevolg van de uitfasering (partnerpensioen bij overlijden en het recht op verevening van ouderdomspensioen bij scheiden). De compensatie kan bestaan uit een uitkering ineens of een voorwaardelijke uitkering. In de gepubliceerde V&A's gaat de kennisgroep in op de vraag of een dergelijke compensatie aan de (gewezen) partner leidt tot een belastbare aangewezen periodieke uitkering op grond van de artikelen 3.101 en 3.102 Wet IB 2001 en/of dit leidt tot een aftrekbaar bedrag op grond van artikel 6.3 Wet IB 2001.
De VenA's zijn direct te raadplegen en tevens te downloaden van de FAQ's en helpdeskvragenpagina van deze site.

Bron: http://www.belastingdienstpensioensite.nl

9 september 2018
Op 26 juni 2018 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan (BK 17/00951) in een procedure waarbij in geschil was of de inspecteur bij afzonderlijke beschikking tot een juist bedrag revisierente in rekening heeft gebracht bij afkoop van een gerichte lijfrente. De afgekochte lijfrente is afgesloten in 1995 (Brede Herwaardering) en is ingegaan per 1 januari 1996. Naar het oordeel van het Hof oordeel heeft de inspecteur terecht 20% aan revisierente in rekening is gebracht omdat ten tijde van de afkoop de lijfrente ouder was dan 10 jaar, zodat de zogenoemde tegenbewijsregeling van artikel 30i, lid 3, AWR niet van toepassing is. De uitspraak is op 27 juli 2018 gepubliceerd.
De volledige uitspraak is direct te downloaden van de rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

8 september 2018
Op 20 juni 2018 heeft het Hof Den Haag uitspraak gedaan (BK 17/00646) in één van de vier proefprocedures inzake rond 1 januari 1992 tot stand gekomen kapitaalverzekeringen. Tijdens de zitting is vast komen te staan dat de onderhavige kapitaalverzekering in civielrechtelijke zin pas tot stand is gekomen in 1992. Belanghebbende betoogt dat de kapitaalverzekering op grond van het gelijkheidsbeginsel moet worden geacht vóór 1 januari 1992 tot stand te zijn gekomen, zodat deze onder de eerbiedigende werking van artikel 76 Wet IB 1964 (tekst 2000) valt. Het Hof oordeelt in de eerste plaats dat de vraag of sprake is van gelijke gevallen moet worden beantwoord vanuit het perspectief van de betrokken wettelijke regeling. De omstandigheid dat de kapitaalverzekering civielrechtelijk al dan niet na aanvaarding van een openbaar aanbod tot stand is gekomen, is vanuit het perspectief van artikel 76 Wet IB 1964 niet relevant. Gelet hierop zijn de door belanghebbende vergeleken gevallen rechtens en feitelijk gelijk. Het Hof oordeelt voorts dat sprake is van begunstigend beleid, aangezien het gevoerde beleid in strijd met de doelstelling van artikel 76 Wet IB 1964 tot gevolg heeft dat de eerbiedigende werking van dat artikel ook ten deel valt aan kapitaalverzekeringsovereenkomsten waarvan vaststaat dat deze civielrechtelijk op 31 december 1991 nog niet bestonden. Het Hof is tot slot van oordeel dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het uit het begunstigende beleid voortvloeiende verschil in behandeling ontbreekt. Het Hof acht het hoger beroep gegrond. De uitspraak is op 19 juli 2018 gepubliceerd.
De volledige uitspraak is direct te downloaden van de rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

8 september 2018
Op 15 juni 2018 heeft de Hoge Raad arrest gewezen (18/00550) in een zaak waarbij een belanghebbende in cassatie is gekomen tegen de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 januari 2018. Voor het Hof was in geschil of de in de uitkering uit de kapitaalverzekering begrepen rentecomponent in casu terecht in de heffing is betrokken. De Hoge Raad stelde het Hof in het gelijk en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond (art. 81 Wet RO). Het arrest is gepubliceerd op 15 juni 2018.
Het arrest is te downloaden van de rechtspraakpagina IB niet-winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

7 september 2018
Op 26 april 2018 heeft het Hof Den Bosch uitspraak gedaan (AWB 16/3586) in een procedure waarbij het volgende speelde. Belanghebbende Y woont in Amerika en heeft in het jaar 2012 een overbruggingslijfrente-uitkering ontvangen van Aegon Levensverzekering N.V. Y stelt zich op het standpunt dat bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat deze uitkering in het jaar 2012 niet in de IB/PVV-heffing betrokken zou worden. Y heeft door middel van een klachtenbrief uitdrukkelijk en gemotiveerd bij de inspecteur aan de orde gesteld dat hij de in het jaar 2008 genoten lijfrente-uitkering niet in de aangifte IB/PVV 2008 heeft opgenomen. Naar het oordeel van het Hof kon de omstandigheid dat de inspecteur desondanks de aangifte IB/PVV 2008 en de aangiften IB/PVV 2009, 2010 en 2011 – waarin de lijfrente-uitkeringen eveneens niet aangegeven waren – heeft gevolgd bij Y de in rechte te beschermen indruk wekken dat deze gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling. Voorts overweegt het Hof dat de aan Y opgelegde aanslag IB/PVV 2012 overeenkomstig de regeling ter voorkoming van dubbele belasting zoals opgenomen in de nationale regelgeving en het belastingverdrag is vastgesteld. De uitspraak is 18 juli 2018 gepubliceerd.
De volledige uitspraak is te downloaden van de rechtspraakpagina IB staking/winst van deze website.

Bron: www.rechtspraak.nl

 

In deze rubriek zijn opgenomen de laatste nieuwtjes op levensverzekeringsgebied. Tevens is in deze rubriek aangegeven welke nieuwe items en/of rubrieken zijn toegevoegd aan de Fiscale site Levensverzekeringen.