Financieringsrente voor premies voor kapitaalverzekering aftrekbaar als persoonlijke verplichtingenrente; rente begrepen in toekomstige kapitaalsuitkering vrijgesteld

PROCES-VERBAAL BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE AMSTERDAM (VERWIJZINGSZAAK)
Belastingkamer : Tweede meervoudige
Zaaknummer : BK 04/00236
Datum proces-verbaal : 1 juni 2004
Belastingmiddel : Inkomstenbelasting
 
Uitspraak hof Den Haag : Klik hier voor de uitspraak (VERWEZEN)
Zaaknummer : BK 00/01843 
Datum uitspraak : 29 maart 2002
 
Beroepschrift in cassatie : Klik hier voor het beroepschrift
 
Arrest Hoge Raad : Klik hier voor het arrest
Zaaknummer : 38.248
Datum arrest : 19 december 2003 SE

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - op het beroep van X te Y, belanghebbende, tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen P (thans: Belastingdienst Q te R), gedagtekend 22 mei 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.
Het beroep is behandeld ter zitting van 17 mei 2004.

Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden
1. Belanghebbende heeft over het jaar 1997 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 31.930. In zijn aangifte heeft hij een bedrag van ƒ 37.348 opgenomen als aftrekbare rente betaald in verband met de financiering van de premies van de bij A N.V. afgesloten gemengde kapitaalverzekering met polisnummer 81810. Met dagtekening 18 november 1999 is aan belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 51.945. De rente is daarbij in aanmerking genomen als persoonlijke verplichtingenrente. Na bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. Dit Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak van 29 maart 2002 beroep in cassatie ingesteld, waarna de uitspraak van het Hof door de Hoge Raad der Nederlanden is vernietigd.
2. Voor de feiten en standpunten van partijen verwijst het Hof naar de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 29 maart 2002.
3. Tussen partijen is na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden alleen nog in geschil of in 1997 reeds vaststond dat voor de rente die is begrepen in de verzekerde uitkering op de in geding zijnde kapitaalverzekering een vrijstelling van toepassing was. Eerst vanaf het moment dat komt vast te staan dat inderdaad een vrijstelling van toepassing is, behoren de financieringskosten namelijk niet meer tot de aftrekbare kosten.
4. Artikel 25, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst tot en met 1991) bepaalt dat de rente begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering bij een looptijd van de verzekering van niet meer dan 15 jaar, niet tot de inkomsten uit vermogen behoort als tenminste 12 jaar premies zijn voldaan en tevens tot het tijdstip van de uitkering de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het vijfvoud van de laagste premie. Voorts bepaalt artikel 76 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dat rente begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering die ingevolge de regels die daarvoor golden op 31 december 1991 niet tot de inkomsten uit vermogen zou zijn gerekend, ook na die datum niet tot de inkomsten uit vermogen wordt gerekend, mits de kapitaalsuitkering wordt genoten krachtens een op 31 december 1991 bestaande overeenkomst waarvan nadien het verzekerde kapitaal niet is verhoogd.
5. De Hoge Raad heeft in zijn verwijzingsarrest overwogen dat er van kan worden uitgegaan dat een vrijstelling van toepassing was indien belanghebbende in 1997 reeds gedurende ten minste 12 jaren premies had voldaan waarvan de hoogste premie niet meer bedroeg dan het vijfvoud van de laagste premie, en dat, indien belanghebbende het standpunt inneemt dat hij in 1997 niet reeds gedurende twaalf jaren premies had voldaan waarvan de hoogste niet meer bedroeg dan het vijfvoud van de laagste premie, het op zijn weg ligt zulks aannemelijk te maken.
6. Tot de stukken van geding behoren twee polisbladen vermeldende twee bruto jaarpremies van ƒ 19.170,25 en ƒ 76.642,58 voor een gemengde verzekering, alsmede een jaarpremie van ƒ 1.770,50 voor de verzekering van een dalend kapitaal bij overlijden, welke premies alle gelden met ingang van 1 januari 1984, alsmede een vervangend polisblad vermeldend een bruto jaarpremie van ƒ 95.826,83 per 1 januari 1994 en van ƒ 19.220,25 voor de periode 1 januari 1994 tot 1 januari 1999.
7. Op grond van de onderhavige verzekeringsovereenkomst moet ervan worden uitgegaan dat op 1 januari 1997 gedurende tenminste twaalf jaren premies waren voldaan. Gesteld noch gebleken is dat ter zake niet overeenkomstig de overeenkomst is gehandeld. Uit de onder 6. vermelde feiten blijkt dat in 1997 werd voldaan aan het vereiste dat de hoogste premie niet meer bedroeg dan het vijfvoud van de laagste premie. Onder deze omstandigheden stond in 1997 reeds vast dat voor de in de verzekeringsuitkering begrepen rente een vrijstelling van toepassing was. Overigens is die vrijstelling in 1999 ook daadwerkelijk toegepast.
8. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur.

Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 1 juni 2004 door mrs. Bijl, voorzitter, Beukers-Van Dooren en Zwemmer, leden, in tegenwoordigheid van mr. De Rijk als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Dit proces verbaal is opgemaakt door de griffier en door de voorzitter van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Bron: www.rechtspraak.nl

LJN-nummer: AQ1470