Selectie wetteksten Uitvoeringsbesluit wet inkomstenbelasting 2001 (jaren vanaf 2001; tekst 2004)
Artikel 14. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; toegelaten aanbieders
Naar index
1.
Als een lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent als bedoeld in
artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, van de wet kan door Onze Minister worden
aangewezen een verzekeraar die op grond van de artikelen 111, eerste lid, onderdelen
a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen
a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf 1993 bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.
2. Als een pensioenfonds als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel
d, van de wet kan door Onze Minister worden aangewezen een lichaam dat naar
het recht van de staat van diens zetel bevoegd gelden beheert strekkende tot
verzekering van pensioenaanspraken van tenminste 100 deelnemers of gewezen deelnemers
en dat in aanvulling op of ter voortzetting van die pensioenaanspraken vanuit
een vestiging buiten Nederland lijfrenteovereenkomsten sluit.
3. Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de verzekeraar, onderscheidenlijk
het pensioenfonds zich tegenover Onze Minister, onder door hem te stellen voorwaarden,
te verplichten om met betrekking tot de bij deze verzekeraar of dit fonds verzekerde
en nog te verzekeren lijfrenten, bedoeld in artikel 3.124 van de wet, inlichtingen
te verstrekken over de uitvoering van de lijfrenteovereenkomsten en een in Nederland
uitwinbare zekerheid jegens de ontvanger te stellen voor de invordering van
de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van de artikelen
3.133, 3.135 of 3.136 van de wet.
4. De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het derde lid bedoelde
zekerheid niet door de verzekeraar of het pensioenfonds maar door de belastingplichtige
wordt gesteld, waarbij de belastingplichtige tevens de mogelijkheid heeft zekerheid
te stellen door middel van verpanding van de aanspraken uit de lijfrenteovereenkomst
aan de ontvanger, mits de verzekeraar of het pensioenfonds instemt met deze
verpanding.
5. De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken wanneer de verzekeraar
of het pensioenfonds niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het
verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan
een juiste wijze van uitvoering van een verpanding meewerkt.
6. Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden bij de verzekeringnemers van
de bij deze verzekeraar of dit pensioenfonds gesloten lijfrenteovereenkomsten,
dan wel indien een verzekeringnemer is overleden, bij de gerechtigden tot de
lijfrenten, geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking
genomen indien de lijfrenten onder door Onze Minister te stellen voorwaarden
alsnog overgaan op een toegelaten aanbieder als bedoeld in artikel 3.126, eerste
lid, van de wet. Naar
index
Artikel 15. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen; in aanmerking te nemen premies
voor lijfrenten; waardeaangroei Naar
index
1. Voor de toepassing van artikel 3.127,
eerste en vierde lid, van de wet, verstrekt de verzekeraar van een pensioen
als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet aan de
belastingplichtige een opgave van de aan een kalenderjaar toe te rekenen aangroei
van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan hem toekomende aanspraken
die recht geven op een levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, voor zover
deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in het kalenderjaar.
2. De aan een kalenderjaar toe te rekenen pensioenaangroei, bedoeld in het eerste
lid, wordt bepaald als volgt:
a. bij een aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening
bij ouderdom: door de op het kalenderjaar betrekking hebbende premies te vermenigvuldigen
met de volgende factor:
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | |
indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar | factor |
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | |
15 jaar of ouder, doch jonger dan 20 jaar is | 0,30 |
20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is | 0,24 |
25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is | 0,20 |
30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is | 0,17 |
35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is | 0,14 |
40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is | 0,12 |
45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is | 0,10 |
50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is | 0,08 |
55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is | 0,07 |
60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is | 0,05; |
b. bij overige aan het inkomen
gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bij ouderdom: door het opbouwpercentage
van het kalenderjaar van de aan de belastingplichtige toekomende pensioenaanspraken
te vermenigvuldigen met de pensioengrondslag van het kalenderjaar.
3. De opgave van de pensioenaangroei wordt door de verzekeraar binnen tien maanden
na afloop van het kalenderjaar waarop de pensioenaangroei betrekking heeft,
aan de belastingplichtige verstrekt.
Naar
artikel 25
4. De pensioengrondslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald
door het pensioengevend inkomen van het kalenderjaar te verminderen met het
in het kalenderjaar ingevolge de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag
ter zake van uitkeringen als bedoeld in artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet.
Naar
index
Noot
EvT: Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit van 15 december 2003 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten (Staatsblad 2002, nr. 535) is de bepaling van het derde lid van artikel 15 gewijzigd. Deze gewijzigde bepaling werkt terug tot en met 1 januari 2003. Zie hiervoor artikel I, onderdeel A, van het betreffende besluit en klik op Aanpassingsbesluit 2004. |
Artikel 19. Waardering; aanvullende regels; waardering periodieke uitkeringen
Naar
index
1. De waarde van een periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven
van één mannelijke persoon, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag
vermenigvuldigd met:
22, | wanneer degene gedurende wiens leven de uitkering moet plaatshebben: |
jonger dan 20 jaar is, |
22, | 20 jaar of ouder, doch jonger dan 25 jaar is, | |
21, | 25 jaar of ouder, doch jonger dan 30 jaar is, | |
20, | 30 jaar of ouder, doch jonger dan 35 jaar is, | |
19, | 35 jaar of ouder, doch jonger dan 40 jaar is, | |
18, | 40 jaar of ouder, doch jonger dan 45 jaar is, | |
16, | 45 jaar of ouder, doch jonger dan 50 jaar is, | |
15, | 50 jaar of ouder, doch jonger dan 55 jaar is, | |
13, | 55 jaar of ouder, doch jonger dan 60 jaar is, | |
11, | 60 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar is, | |
9, | 65 jaar of ouder, doch jonger dan 70 jaar is, | |
8, | 70 jaar of ouder, doch jonger dan 75 jaar is, | |
6, | 75 jaar of ouder, doch jonger dan 80 jaar is, | |
4, | 80 jaar of ouder, doch jonger dan 85 jaar is, | |
3, | 85 jaar of ouder, doch jonger dan 90 jaar is, | |
2, | 90 jaar of ouder, doch jonger dan 95 jaar is, | |
1, | 95 jaar of ouder is. |
2. De waarde van een periodieke uitkering in geld die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren:
Leeftijds- klasse van genoemde persoon |
0-19 |
20-24 |
25-29 |
30-34 |
35-39 |
40-44 |
45-49 |
50-54 |
55-59 |
60-64 |
65-69 |
70-74 |
75-79 |
80-84 |
85-89 |
90-94 |
95- |
het eerste vijftal jaren |
0,91 |
0,91 |
0,91 |
0,91 |
0,90 |
0,90 |
0,90 |
0,89 |
0,88 |
0,87 |
0,84 |
0,80 |
0,74 |
0,65 |
0,54 |
0,40 |
0,20 |
het tweede vijftal jaren |
0,74 |
0,74 |
0,74 |
0,74 |
0,74 |
0,73 |
0,72 |
0,70 |
0,67 |
0,62 |
0,54 |
0,45 |
0,33 |
0,20 |
0,08 |
0,02 |
0,00 |
het derde vijftal jaren |
0,61 |
0,61 |
0,61 |
0,60 |
0,59 |
0,58 |
0,56 |
0,53 |
0,48 |
0,40 |
0,30 |
0,20 |
0,10 |
0,03 |
0,00 |
||
het vierde vijftal jaren |
0,50 |
0,50 |
0,49 |
0,49 |
0,48 |
0,46 |
0,43 |
0,38 |
0,31 |
0,22 |
0,14 |
0,06 |
0,02 |
0,00 |
|||
het vijfde vijftal jaren |
0,41 |
0,40 |
0,40 |
0,39 |
0,37 |
0,35 |
0,30 |
0,24 |
0,17 |
0,10 |
0,04 |
0,01 |
0,00 |
||||
het zesde vijftal jaren |
0,33 |
0,33 |
0,32 |
0,30 |
0,28 |
0,25 |
0,20 |
0,14 |
0,08 |
0,03 |
0,01 |
0,00 |
|||||
het zevende vijftal jaren |
0,27 |
0,26 |
0,25 |
0,23 |
0,20 |
0,16 |
0,11 |
0,06 |
0,02 |
0,00 |
|||||||
het achtste vijftal jaren |
0,21 |
0,20 |
0,19 |
0,16 |
0,13 |
0,09 |
0,05 |
0,02 |
0,00 |
||||||||
het negende vijftal jaren |
0,17 |
0,15 |
0,13 |
0,11 |
0,07 |
0,04 |
0,01 |
0,00 |
|||||||||
het tiende vijftal jaren |
0,13 |
0,11 |
0,09 |
0,06 |
0,03 |
0,01 |
0,00 |
||||||||||
het elfde vijftal jaren |
0,09 |
0,07 |
0,05 |
0,03 |
0,01 |
0,00 |
|||||||||||
het twaalfde vijftal jaren |
0,06 |
0,04 |
0,02 |
0,01 |
0,00 |
||||||||||||
de volgende jaren |
0,03 |
0,02 |
0,01 |
0,00 |
De overeenkomstig de vorige volzin
vastgestelde waarde kan niet hoger zijn dan de waarde die zou zijn verkregen
als de uitkering niet tevens na een bepaalde tijd zou vervallen.
3. De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, die
niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het vierentwintigvoud van
het jaarlijkse bedrag.
4. De waarde van een periodieke uitkering in geld die na een bepaalde tijd vervalt
en die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag,
vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben,
iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren:
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | |
factor | |
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- | |
het eerste vijftal jaren | 0,91 |
het tweede vijftal jaren | 0,75 |
het derde vijftal jaren | 0,61 |
het vierde vijftal jaren | 0,50 |
het vijfde vijftal jaren | 0,41 |
het zesde vijftal jaren | 0,34 |
het zevende vijftal jaren | 0,28 |
het achtste vijftal jaren | 0,23 |
het negende vijftal jaren | 0,19 |
het tiende vijftal jaren | 0,16 |
het elfde vijftal jaren | 0,13 |
het twaalfde vijftal jaren | 0,11 |
de volgende jaren | 0,09. |
De overeenkomstig de eerste volzin
vastgestelde waarde kan niet meer bedragen dan het vierentwintigvoud van het
jaarlijkse bedrag.
5. Een periodieke uitkering in geld, afhankelijk van het leven van één
vrouwelijke persoon, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk
van het leven van een mannelijk persoon die vijf jaar jonger is dan vorenbedoeld
vrouwelijk persoon.
6. Een periodieke uitkering in geld die vervalt bij het overlijden:
a. van de langstlevende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een
periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die
tien jaar jonger is dan de jongste van de vorenbedoelde personen;
b. van de eerststervende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met
een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon,
die vijf jaar ouder is dan de oudste van de vorenbedoelde personen.
7. Een periodieke uitkering in geld tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld
met een periodieke uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag.
8. Een periodieke uitkering die recht geeft op andere goederen dan geld, wordt
gelijkgesteld met een periodieke uitkering in geld tot een jaarlijks bedrag,
gelijk aan de overeenkomstig afdeling 5.4 van de wet geschatte waarde van de
goederen.
9. De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige
artikelen, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou
kunnen worden aangekocht. Naar
index
Artikel 22. Overige aanvullende regelingen; verstrekken van gegevens en inlichtingen
Naar
index
1.
Als administratieplichtigen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de
wet worden aangewezen:
a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van
de Wet toezicht kredietwezen 1992;
b. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet
toezicht beleggingsinstellingen;
c. effecteninstellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht
effectenverkeer 1995;
d. levensverzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van
de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
2. Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van
de wet worden aangewezen:
a. over een rekening waarop een saldo in geld kan worden aangehouden:
1°. het saldo aan het einde van het kalenderjaar en
2°. de in dat kalenderjaar op de rekening genoten rente;
b. over een rekening waarop een saldo in effecten kan worden aangehouden:
1°. het saldo aan het einde van het kalenderjaar en
2°. de in dat kalenderjaar op de rekening genoten opbrengst, bedoeld in
artikel 2 van de Wet op de dividendbelasting 1965, en de op die opbrengst ingehouden
dividendbelasting;
c. over het verrichten van een contante uitbetaling ter zake van het verzilveren
van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren:
het totaalbedrag dat in het kalenderjaar is uitbetaald;
d. over een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede
lid, van de wet:
1°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering;
2°. indien de verzekering op grond van artikel 3.116, derde lid, onderdeel
a, b, d, e of f, van de wet, in het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering
te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de verzekering op
het tijdstip waarop de verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen;
e. over een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125 van de wet:
1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies;
2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld
in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, d, e, f, g, h, i of j, in samenhang
met artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan
en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing
van artikel 3.137 van de wet;
f. over een recht als bedoeld in artikel 5.10, onderdeel a, van de wet: de som
van het verzekerde kapitaal per verzekerde aan het einde van het kalenderjaar;
g. over een recht op kapitaalsuitkering uit een op 14 september 1999 bestaande
levensverzekering:
1°. het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan,
de waarde in het economische verkeer van het recht, aan het einde van het kalenderjaar;
2°. een verhoging in het kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven,
dan wel, bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar van de
premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de levensverzekering in
het kalenderjaar, een en ander voorzover die verhoging of verlenging de eerbiedigende
werking van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting
2001, verloren doet gaan;
h. over een recht op kapitaalsuitkering of prestatie uit levensverzekering voorzover
niet in aanmerking genomen op grond van de onderdelen d tot en met g: de waarde
in het economische verkeer van het recht aan het einde van het kalenderjaar.
3. Onder rente als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, wordt
verstaan: hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als
vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking
stellen van de hoofdsom.
4. Het saldo, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, is de waarde
van de effecten op de einddatum, bepaald volgens artikel 5.19 of artikel 5.21
van de wet, dan wel, indien deze artikelen geen toepassing kunnen vinden, de
grondslag voor het over het kalenderjaar bedongen bewaarloon voor de in bewaring
gegeven effecten of bij het ontbreken hiervan de uitgifteprijs van de effecten.
5. De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b,
worden verstrekt per rekening en over zowel de saldi als de rente of de opbrengst
onderverdeeld naar:
a. spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen of winstbewijzen als bedoeld
in artikel 5.11 van de wet;
b. maatschappelijke beleggingen als bedoeld in artikel 5.13 van de wet;
c. beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.16 van de wet;
d. saldi, rente of opbrengst voorzover niet in aanmerking genomen op grond van
de onderdelen a tot en met c.
6. De in het eerste lid aangewezen administratieplichtige kan de verstrekking
van gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b of
g, onder 1°, achterwege laten indien:
a. het saldo, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, of onderdeel
b, onder 1°, lager is dan €500, en het bedrag van de rente, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, onder 2°, of van de opbrengst, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel b, onder 2°, lager is dan €11;
b. het verzekerde kapitaal bij leven of de waarde in het economische verkeer
van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, onder 1°, lager is
dan €46 984. Naar
index
Artikel 25. Overgangsbepaling opgave waardeaangroei
Naar
index
[Vervallen per 01-01-2004]
Naar
index
Noot
EvT: Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit van 15 december 2003 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten (Staatsblad 2002, nr. 535) is de bepaling van artikel 25 komen te vervallen. Deze gewijzigde bepaling inzake het verval van artikel 25 werkt terug tot en met 1 januari 2003. Zie hiervoor artikel I, onderdeel C, van het betreffende besluit en klik op Aanpassingsbesluit 2004. |